Pieter Breughel 'Landschap met de Val van Icarus'

Pieter Breugel de Oude (ca.1520/25 – 1569)

Tijdens het lezen van dit artikel kunt u luisteren naar het lied "Cafe Breugel" van Wannes van der Velde. 

In het reprocitaat heb ik onlangs een groot aantal gedichten opgenomen naar aanleiding van het werk van Pieter Breughel. Met name het schilderij "De val van Icarus" is voor dichters blijkbaar een zeer inspirerend kunstwerk. Overigens heeft de mythe van Icarus blijkbaar in heden en verleden vele dichters geïnspireerd, zie ook pagina  Icarus-gedichten .
De val van Icarus wordt aan Breughel toegeschreven, maar is gedateerd noch gesigneerd. Het verhaal is ontleend aan Ovidius’ "Metamorfosen", in het achtste boek wordt vader Daedelus, een kunstenaar, met zijn zoon Icarus in het labyrint geworpen. Hij ziet geen uitweg, maar van was en veren maakt hij vleugels. Op Breughels schilderij is vader Daedalus niet te zien, evenmin als de overmoedige zoon, van wie we alleen de benen kort na de plons zien. Blijkbaar is vallen niet het onderwerp. Maar wat dan wel?
Er vaart een schip, een mooi zestiende-eeuws schip, voor de wind, met bolle zeilen. Er is een heuvel op de voorgrond, met een boer. De man heeft een rode wambuis aan, het enige rood op het schilderij. De boer kijkt niet op of om. Hij heeft geen boodschap aan het gebeuren. De boer ploegt werkelijk heel fraai in parallelle krullen. Er is een herder hij staat op een stok geleund, naar boven te kijken. Het is niet duidelijk wat hij ziet, misschien droomt hij. Van later of om te ontsnappen aan zijn bestaan. Hij is er wel bij maar ziet het niet. Er is een visser op de onderste rand van het doek. Zijn dobber vraagt alle aandacht, dat is zijn wereld. Wat er twintig meter uit de kant plaats vindt kan hem niet deren. Er is een zon, het licht, de onzichtbare zon aan de horizon die het zeegezicht met het havenstadje in de verte in een grandioos licht zet, een wereld van vergezicht en droom en alle tinten daartussen.
Er is een uitzonderlijkheid in dit schilderij die haar weerga niet kent. Het is betoverend, raadselachtig, ontroerend, een schilderij dat stil maakt – en opgewonden, dat je het mag zien – dat je Icarus mag zien vallen, nou ja, de plons daarna. Het vallen is aan ons.

In zijn prachtige boek met reisimpressies "Along the road" (notes and essays of a tourist) uit 1925 bespreekt Aldous Huxley het werk van Pieter Breughel. Huxley begint dit essay met een lang pleidooi voor de herwaardering van het dramatische (verhalende) en filosofische (levensbeschouwelijke) aspecten van een kunstwerk. Huxley zet zich af tegen de modernistische opvatting dat vooral de formele aspecten van een kunstwerk van belang zouden zijn. Wat een kunstenaar te zeggen heeft over de formele aspecten van zijn kunst is belangrijk, maar slechts een deel van het verhaal. Aan het eind van deze inleiding geeft Huxley een aantal vragen weer die iedere kunstcriticus (of kijker) zich zou kunnen stellen, ik geef ze graag door:
"Every good painter invents a new way of painting. Is this man a competent painter? Has he something to say, is he genuine? These are the questions a critic must ask himself. Not, does he conform with my theory of imitation, or distortion, or moral purity, or significant form?"

Vervolgens toetst hij deze opvatting aan het werk van Pieter Breughel, naar zijn mening (in 1925) de meest onderschatte schilder, juist doordat hij altijd buiten de geldende modes en stromingen viel. Wanneer ik elders lees dat een van Breughels beroemdste schilderijen "Dulle Griet" in 1894 door de Antwerpse verzamelaar, Fritz Mayer van den Bergh, verworven is voor het equivalent van 12 euro, dan moet dit wel kloppen.

Dulle Griet

Dulle Griet (detail)

Overigens stond Huxley niet alleen in zijn opvatting al in 1862 schreef de Franse kunstcriticus Bürger-Thoré – de herontdekker van Vermeer – dat "Breughel een waar meester was, wiens betekenis zeer werd onderschat". De heersende opvatting was echter dat Breughel een schilder was van boerentaferelen, weliswaar scherp geobserveerd, maar tegelijkertijd ook grof en platvloers.
Inmiddels zijn we er van overtuigd dat Breughel een ontwikkeld man was die zijn hele (korte) leven werkte en studeerde om zijn werk te verbeteren. Ondanks dat hij geen functie aan het hof had (zoals Van Eyck en Rubens), geen grote altaar stukken maakte en geen portretten schilderde (wat gezien zijn weinig flaterende stijl niet zo verwonderlijk is). In feite was hij in de moderne zin van het woord een hoogst origineel kunstenaar met een hele eigen (en tegelijk universele) kijk op zijn omgeving.
Aanvankelijk is zijn werk verwant aan de middeleeuwse miniaturisten, met een hele gesystematiseerde beschrijvende traditie. Hij streeft niet naar een illusionistische graad van perfectie. Ondanks dat hij een tijd in Italië heeft gewerkt en gestudeerd stond hij vrij onverschillig tegenover het idee van de "Ideale Schoonheid". Overigens evenals Jeroen Bosch een schilder waarmee Breughel vaak vergeleken wordt. Blijkbaar was hij een dermate origineel kunstenaar en had hij een zo karakteristieke voorstellingswereld dat hij de dwingende stijl van de Italiaanse renaissance ook kon afwijzen. Na een leertijd bij schilder Pieter Coeck van Aelst wordt Breughel in 1551 toegelaten tot de schildersgilde. Van 1552 tot 1554 reist en werkt hij in Italië. De stijl en de werkwijze van de Italiaanse renaissance zijn hem dus zeer bekend. 


Grote vissen eten de kleintjes.

Na zijn terugkeer in Vlaanderen gaat hij voor de Antwerpse graveur en prentenhandelaar Hiëronymus Cock werken. Voor hem maakt hij de series de zeven doodzonden en de zeven deugden (zie pagina met Tekeningen) en het beroemde "De grote vissen eten de kleine". Het schilderen en ontwerpen van prenten heeft Breughel altijd gecombineerd.


Triomf van de dood


In deze periode maakt Breughel ook de schilderijen "Dulle Griet" en "De triomf van de dood" Werken waardoor sommige kunsthistorici Breughel betitelen als een pessimistisch kunstenaar. Wat mij betreft ligt dat iets anders Breughel heeft een grote mate van eigenheid in zijn kijk op de wereld en de maatschappij om hem heen. Dat deze niet altijd reden geeft tot optimisme mag duidelijk zijn. Zo ziet de werkelijkheid eruit lijkt Breughel ons te willen zeggen. Wanneer ik tegelijkertijd een hedendaagse bewerking van de Ilias lees ( Ilios – Het verhaal van de Trojaanse oorlog - van Imme Dros) is dit in feite een lange aanklacht tegen oorlog en geweld. En vooral de mechanismen en valse heroïek die dit mogelijk maken. Ook Breughels triomf van de dood klaagt dit mechanisme aan. Toch worden volgens dezelfde mechanismen nog steeds soldaten de oorlog in gestuurd. Van veel vooruitgang kunnen we dus niet spreken. De levensbeschouwelijke invalshoek, waar Huxley naar zoekt, is in feite van alle tijden en ook voor ons nog steeds volkomen begrijpelijk. Toch kijkt Breughel, evenals Bosch, met veel mededogen naar ons gestuntel in dit ondermaanse. Hij ziet de patronen maar werkt niet mee aan de verheerlijking van schoonheid, geweld of de valse heroïek van de oorlog. Het georganiseerde dodenleger doet mechanisch en onbewogen zijn werk. Breughel laat ons de verschrikkingen en de wanhoop zien zonder deze te verzachten met de retoriek van grandeur en heroïek. Homerus/ Imme Dros laat Ares, de god van de oorlog, zeggen dat voor iedere generatie opnieuw oorlog slechts een woord is, dat vals wordt ingekleurd en waarvan de betekenis onmogelijk te bevatten is. En wat doen onze politici anders dan onder valse voorwendselen militairen naar Irak of Afghanistan sturen?

De verschrikkingen van de oorlog zijn in onze tijd onnavolgbaar verbeeld in de poëzie van Wilfred Owen (1893 - 1918).

De componist Benjamin Britten heeft op basis van deze poezie weer zijn War-Requiem geschreven. Een fragment hiervan "Agnus Dei" kunt u beluisteren door de notenbalk hiernaast aan te klikken.

Als tegenwicht voor "de wereld als oord van verschrikking" toont Breughel ons op vele van zijn schilderijen mannen en vrouwen die eten, drinken, dansen, trouwen en carnaval vieren. Of kinderen die op straat spelen. Op het schilderij Kinderspelen (1559 – 1560) staan 84 kinderspelen afgebeeld, waarvan sommigen ons nog steeds bekend voorkomen.

Kinderspelen (schilderij plus zestien details)

N.B.
Beeldend kunstenaar en bouwhistoricus Michel van Dam (1974) heeft onder de titel "In het weerwerk/ Naar Bruegel"een aantal van de overbevolkte schilderijen van Breughel ontvolkt.
Een daarvan is Breughels schilderij "Kinderspelen", maar dan zonder (de 150) kinderen, een enkel petje of mutsje ligt er nog, meer niet. We zien een lege modderweg, bestrating was er nauwelijks, het geheel doet denken aan de lege grachtengordel van Gerrit Berckheyde.
Volgens Van Dam kunnen we de schilderijen van Breughel pas betreden wanneer ze leeg zijn. Het resultaat van die leegte is surrealistisch, een beetje griezelig ook. Naast de "Kinderspelen" ontdeed Van Dam ook "De strijd tussen carnaval en vasten" en "De spreekwoorden" van mensen.
Chris31.10.09

Breughel

Van Dam

Een opvallend schilderij tussen zijn lichte en zijn donkere werk, tussen zijn vrolijke en zijn pessimistische schilderijen in, is "De kruisdraging van Christus". Het is een van Breughels grootste schilderijen. De compositie bestaat uit een grote groep kleine figuurtjes die ritmisch bewegen tegen een romantische achtergrond. Van de kruisiging of de Kruisdraging bestaan honderden schilderijen. Op al deze schilderijen vormt Christus het middelpunt, de held van deze tragedie, een rechtvaardiging om deze tragedie uit te beelden. Alle andere figuren worden daarom heen gegroepeerd in een strakke hiërarchie van goed en kwaad. In feite wordt er van binnen naar buiten gewerkt. Breughel echter begint aan de buitenkant. Hij presenteert de scène zoals die zich zou voordoen aan iedere willekeurige passant langs de weg naar Golgotha, in het jaar 33. Breughel toont ons een groep mensen die in feeststemming een heuvel beklimmen. Op de top van de heuvel staan twee kruisen. In de grond is een gat gemaakt waarin spoedig een derde kruis geplaatst zal worden. Rond de twee kruizen staan een groep mensen te genieten van het gratis vermaak. Een andere groep vergezeld de derde en grootste misdadiger bij zijn tocht naar de top van de heuvel. Onze fascinatie voor wreedheid en beestachtig gedrag waar we nu nog hoofdzakelijk via de televisie van kennisnemen, was in de tijd van Breughel aan de orde van de dag, met openbare martelingen en executies. Bezien door de ogen van Breughel is het leiden van Christus bepaald niet verheffend en maakt het eerder wanhopig.


De kruisdraging


Breugel doet één concessie aan de conventies door op de voorgrond een groep treurende heilige vrouwen te plaatsen. Zij staan los van de andere figuren in het schilderij en zijn er ook niet mee in harmonie. De vrouwen zijn geschilderd in de stijl van Rogier van Weyden. Een kleine oase van spiritualiteit in een woestijn van stomheid en barbarij. Waarom Breughel deze vrouwen daar plaatst laat zich slecht raden. Misschien trachtte Breughel deze figuren (de drie Maria’s en Johannes de Evangelist) te schilderen in de stijl van een eeuw daarvoor om ze zo buiten de werkelijkheid te plaatsen. Misschien ook werd het hem te machtig en zocht hij bevestiging voor het feit dat de hoop als laatste uit de doos van Pandorra ontsnapte.
Wederom is het vallen aan ons.
Chris22.11.06

Laten we nog even terugkeren naar het werk van Breughel. Zijn tijdgenoten hadden twee hoofdeisen waaraan een kunstwerk moest voldoen; a. een zo grootmogelijke verscheidenheid aan gebeurtenissen en b. een zorgvuldige uitwerking van de details. De Antwerpse koopman Nicolaes Jonghelinck had maar liefst zestien werken van Breughel in zijn paleisachtige woning hangen. Waaronder een reeks van zes schilderijen met als onderwerp de seizoenen of de maanden van het jaar. Het werk "Jagers in de sneeuw" (of "De terugkeer van de jagers") heeft betrekking op de maanden december en januari. Andere werken zijn "De donkere dagen" (februari en maart), "De Hooioogst"(juni en juli), "De Korenoogst" (augustus en september), en "De terugkeer van de kudde" (oktober en november). Het werk over de maanden april en mei is verloren gegaan.
Chris29.11.06

 

Jagers in de sneeuw

Donkere dagen

 

De Hooioogst

De Korenoogst

De Terugkeer van de Kudde

Het werk over de maanden april en mei is verloren gegaan.

Bronnen:

  1. Aldous Huxley "Along the road, notes and essays of a tourist" (1925)
  2. "Brueghel" (Phaidon Press 1976)
  3. "Het komplete werk van Pieter Brueghel" (Rotterdam 1976)
  4. Imme Dros "Ilios, Het verhaal van de Trojaanse oorlog" (1994)
  5. Tom Lanoye "Niemandsland" - Gedichten uit de Groote Oorlog - (2002)
  6. Guus Middag "Het mooiste gedicht ter wereld" (2005)

Meer Breughel op deze site:
Brueghel - Alstein, Breughel - Anker, Brueghel - Auden, Brueghel - Berryman, Brueghel - Burnier,   Brueghel - Claus, Brueghel - Coninck, Brueghel - Emmens, Brueghel - Enquist, Brueghel - Foerster, Brueghel - Hawinkels01, Brueghel - Hawinkels02, Brueghel - Herzberg, Brueghel - Jooris, Brueghel - Kal, Brueghel - Kopland, Brueghel - Langland, Brueghel - Mare de la, Brueghel - Verwey, Brueghel - Smit, Brueghel - Spillebeen01, Brueghel - Spillebeen02, Brueghel - Spinoy, Brueghel - Szymborska, Brueghel - Velde, Brueghel - Vestdijk, Brueghel - Williams01, Brueghel - Williams02, Brueghel - Williams03, Brueghel - Williams04, Brueghel - Williams05, Brueghel - Williams06, Brueghel - Williams07, Brueghel - Williams08, Brueghel - Williams09, Brueghel - Williams10

Breughel tekeningen.

Icarus-gedichten

lezing 'Als ik tekenen kon ...' over het schilderij 'Landschap met de val van Icarus'

home tekenlog schilderijen ruimtelijk werk grafiek reprocitaat kunst kolom video/ audio fotografie tekeningen
contact