Portret van Basho door Buson

Yosa Buson (1716 – 1784)

Soms vallen dingen mooi samen. De afgelopen maanden heb ik een aantal boeken gelezen van en over Matsuo Bashõ (1644 – 1694). Enige tijd later blijkt dat "KunstomdeHoek" - een samenwerking van Houtense kunstenaars - een haiku, nog net niet van Bashõ, maar van een tijdgenoot tot onderwerp van de komende kunstfietsdagen heeft gekozen.
Voor mij een te grote verleiding om hier niet een kunstkolom aan te wijden.


De smalle weg naar het hoge noorden

Laat ik beginnen met enige achtergrond informatie over de haiku.
De grote lyriek van Japan vond al vroeg - in de zesde, zevende eeuw – haar vaste vorm in de tanka. Dit is een kort gedicht van vijf regels (ieder bestaande uit 5-7-5 – 7-7 lettergrepen) waarin een gevoel door een verwant natuurbeeld wordt uitgedrukt.
Tegenwoordig is de tanka een lenige, tweevoudige versvorm. De eerste drie regels vormen daarbij de "bovenstrofe", de laatste twee regels de "onderstrofe". Evenals bij het sonnet kan de onderstrofe een echo vormen van de bovenstrofe en zo een nieuw beeld, conclusie of vraag uitdrukken.
Uit deze versvorm is geleidelijk aan de haiku gegroeid. De haiku telt drie regels (5-7-5), vergelijkbaar met de eerste drie regels van de tanka.
In de zeventiende eeuw ontwikkelde de Zen-Boeddhist Bashõ de haiku tot wat hij nu nog is. Een snelle betekenisvolle, natuurimpressie, waarin intuïtief een plotseling gevoel van eenheid met al wat is tot uitdrukking wordt gebracht. Deze ervaringsmomenten hebben door hun suggestieve kwaliteit dikwijl meerdere betekenis lagen.
De senryũ is een vroege zijloot van de haiku. De senryũ heeft dezelfde vorm dan de haiku, maar werd aanvankelijk tot de volkspo
ëzie gerekend, terwijl de haiku de poëzie van de adel en de geestelijkheid was. Haiku beschrijft de volkomenheid van de wereld vaak in een 'natuurbeeld', terwijl senryũ de onvolkomenheid van de mens beschrijft en ons de mens in zijn dagelijkse doen en laten toont.
De senryũ in onze tijd is vaak zeer verfijnd en aan de haiku verwant.
 
Haiku: Senryũ:
de dagen lengen
ik zie de eerste zwaluw
van uit mijn voortuin
de dagen lengen
ik zie de eerste zwaluw
op televisie

De twee belangrijkste Japanse haiku dichters zijn Matsuo Bashõ en Yosa Buson. Behalve dichter was Buson ook een belangrijk beeldend kunstenaar.


De smalle weg naar het hoge noorden (drie linker delen)

Matsuo Basho (1644 – 1694) kwam uit een geslacht van samurai die in hoog aanzien stonden. Bashõ zelf echter verwierp de levenswijze van de samurai en bestudeerde het Zen Boeddhisme en de klassieke Chinese poëzie. In zijn poëzie komen deze invloeden samen. Hij verrijkte de haiku traditie met de invloeden uit het Zen Boeddhisme. Hij benaderde de poëzie als een manier van leven. "Kado" – de weg van de poëzie – in de veronderstelling dat poëzie een weg kan zijn om de verlichting te bereiken. In zijn poëzie brengt Bashõ een diepgeworteld gevoel van eenheid met de natuur tot uitdrukking. Het Zen Boeddhisme speelt hierin een grote rol. In zekere zin kan worden gesproken van een "haiku leven" en niet slechts van een haiku schrijven. "Treed niet in de voetstappen van de meesters, maar zoek wat zij zochten". Zelf zocht Bashõ naar een authentiek visioen.
De Nederlandse vertaalster van Japanse poëzie J. van Tooren (ps. Voor Anna Maria Mulder-Swanenburg de Veye) verwoord het als volgt: "Haiku is geen manier, het is een uiting. Haiku is geen middel het is een doel. Ik vind mezelf niet belangrijk. Ik vind Haiku belangrijk (…) Het komt erop neer dat je jezelf moet loslaten. Loslaten is jezelf verliezen, dus niet meer aan je zelf denken als iets of iemand."
De naam Bashõ betekend zoveel als Bananenenboom, in het Japanse klimaat groeit deze boom wel, maar draagt geen vruchten. Bashõ voelde zich nauw verwant met deze kwetsbare plant die geen fruit voort bracht. Hij besefte dat hij in de samenleving van zijn dagen van generlei nut was.
Naast Haiku schreef Bashõ ook korte proza schetsen haibun genaamd. Ook hier blijft hij summier, maakt verrassende gedachten sprongen en laat veel aan de verbeelding en inlevingskracht van de lezer over. Vaak ook combineert hij proza en poëzie fragmenten, waarbij het aan de lezer is om verbanden te leggen.
In de laatste tien jaar van zijn leven maakte Bashõ verschillende reizen om inspiratie op te doen voor zijn gedichten. Hiervan doet hij verslag in zijn reisbeschrijvingen. Vaak zijn deze reisbeschrijvingen geruime tijd na afloop van de reis geschreven en zorgvuldig gecomponeerd. Het zijn dan ook bepaald geen dagboeken. De proza en poëzie fragmenten die hij onderweg schreef combineert hij hier tot een nieuw geheel. In 1694 schrijft hij zijn meest bekende reisverslag "Oku no Hosomichi" – De smalle weg naar het hoge noorden - . Het is dit werk dat door Buson rijk van illustraties is voorzien.

Over de vlakte
Door geen enkel ding bezwaard
Jubelt de leeuwerik
  
                                     Bashõ (1644 – 1694)


De smalle weg naar het hoge noorden (drie rechter delen)

Yosa Buson (1716 – 1784) wordt samen met Bashõ gerekend tot de grootste haiku dichters van de Edo of Tokugawa-periode (1600 – 1868). Na voltooiing van zijn opleiding als dichter en schilder trok hij naar het noorden om de plaatsen te bezoeken die nauw verbonden waren met de poëzie van Bashõ en via deze met de Japanse poëzie uit een veel verder verleden. Buson was een van de leidende figuren van een poëzie beweging die wilde "terugkeren naar de poëzie van Bashõ". Buson heeft een aantal geïllustreerde versies gemaakt van het proza en de poëzie van Bashõ ondermeer van diens "De smalle weg naar het hoge noorden". Deze uitgaven hebben zeer bijgedragen aan de postume roem van Bashõ.
Poëzie en schilderen (of kalligrafie) hebben bij Buson een levenlang om voorrang gestreden maar elkaar ook ingrijpend beïnvloed. Was hij tussen 1756 en 1765 vooral actief als schilder, daarna zou hij zich meer op het dichten van haiku’s richten. Zij belangrijkste bijdrage aan de haiku traditie was de visuele kracht van zijn poëzie.

Een aantal voorbeelden van de poëzie van Buson:

Op de tempelklok
Is een vlinder gevlogen
En ingeslapen.

Fazant in ’t voorjaar!
zie hoe de avondzon treedt
Op zijn staartveren.

Velden geel koolzaad
De maan staat in het oosten,
De zon in ’t westen.

Een tempel, waar
pioenen bloeien, liep ik voorbij;
Het spijt me nu.

De smalle weg naar het hoge noorden detail01

De smalle weg naar het hoge noorden detail02


Vaak voelt het wat ongemakkelijk om werk te maken bij door anderen bedachte motto’s of thema’s. De dichteres Hagar Peters verwoord de themadwang heel goed wanneer zij schrijft: "Hoe het geloof in uniciteit voor het voetlicht te brengen in een tijd die de eigenheid als de pest mijdt en haar offert aan de algemene commercialiteit."
Hoe dan ook het thema voor de komende - elfde - kunstfietsdagen – Houten 24 en 25 juni 2006 – valt gelukkig mooi samen met een gegeven dat mij al langere tijd boeit. (zie tekeningen 074.06 - 102.06 in het Tekenlog06p09, Tekenlog06p10, Tekenlog06p11, Tekenlog06p012) Gekozen is voor een haiku van de Japanse dichter Soin (1604 – 1684)

De dauwdroppel glanst,
- volkomen onbekommerd
Wáár zij zal vallen.
  
                                     Soin 1604 – 1684)

Al lezend kwam ik de afgelopen tijd de volgende andere haiku’s tegen met dauwdruppels als aanleiding:

Een dauwdrop plukken
wilde het kind, voorzichtig,
met twee vingertjes.
                                       
(Issa 1763 – 1827)

Dauw op de braamstruik!
Aan ieder zijn dorens
Één licht droppel.
                                       
(Buson 1716 – 1784)

Klare dauwdroppels –
Nooit zal ik vergeten, hoe
Eenzaam zij smaken.
                                        (Bashõ 1644 – 1694)

Zacht glanst een dauwdrop;
Zachtmoedig koeren duiven:
Boeddha, behoed ons.
                                       
(Issa 1763 – 1827)

Dauw is het leven!
Één dauwdrop – is het leven;
Maar toch weer, altijd
                                       
(Issa 1763 – 1827)

Graag sluit ik deze kunstkolom af met een anekdote over de komst van de eerste haiku naar Nederland.

Terwijl de oorsprong van de haiku in de nevelen van de Japanse middeleeuwen ligt is het exact bekend wanneer de haiku in Nederland werd geïntroduceerd: namelijk in 1863. Toen werd, uiteraard vertaald in het Nederlands, de eerste haiku gepubliceerd in het literaire blad de Gids onder leiding van Potgieter (1808-1875). De structuur van drie regels van vijf, zeven en weer vijf lettergrepen was nog volslagen onbekend.
Eerst wilde Potgieter het gedichtje - dat volgens hem geen poëzie was - niet plaatsen, maar na aandringen van niemand minder dan koning Willem III ging hij overstag. De vorst had trouwens niet zozeer oog voor de poëzie als wel voor de economische belangen van de heersende burgerij. De Japanners zouden zich bij niet-plaatsing op hun teentjes getrapt kunnen voelen en dat zou de handelsbetrekkingen tussen het koninkrijk en het keizerrijk in gevaar kunnen brengen. Het was de tijd van de Droogstoppels ...

Hoe kwam de eerste haiku hier verzeild? Letterlijk, gezeild: een jonge leerling-smid was in Rotterdam gearriveerd met een delegatie van hoge heren, die men in Japan hatomoto's noemt. (Ons woord hotemetoot 'hoge piet' is daarvan trouwens nog afgeleid.) Hij was verrukt van de stad waar hij stage mocht lopen en bracht dat op typisch Japanse wijze onder woorden: via een haiku. Deze leerling-smid, Matsu Toko, liep stage bij Bart Wilton, de grondlegger van het latere scheepsbouwconcern Wilton-Feijenoord, en schreef het volgende gedicht:

In mooi Rotterdam
leer ik een vak voor later -
stad aan het water

Na zoveel "Haiku leven" kan ik het natuurlijk niet laten zelf een poging te doen.

De dag voor de Houtense cultuurnacht:

boven de sleetjes
gaan Hemel en Aarde in
aerobic-roze

De dag na de Houtense cultuurnacht – en de nacht voor de poëzie - :

poëzievlinders
fladderen rond terwijl ik
de buddleya snoei


Basho, Kaligrafie

Basho, de eerste pagina van de smalle weg naar het hoge noorden

Yosa Buson (Aanvulling)

Deze Kolom begint met toeval, hoewel dat natuurlijk niet bestaat, wil ik er graag mee eindigen.
Nauwelijks staat deze kolom op het net of op mijn deurmat valt het laatste nummer (33) van "Het Trage Vuur" – Tijdschrift voor Chinese literatuur. Met een openingsartikel van Jos Vos (zie bronnen) over de Chinese roots van Bashõ en Buson.
Nu vormen die Chinese roots van de Japanse poëzie een verhaal apart, dat ik graag even wil laten rusten.
Wat me opvalt in de tekst van Jos Vos is de belangrijke overeenkomsten (grote hang naar de poëzie uit het verleden, eenvoud, natuurbeleving en tegelijk de drang om de traditionele poëzie een nieuwe wending te geven) in het werk van Bashõ en Buson. Wat mij tot nu toe niet zo duidelijk was zijn de verschillende motieven die beiden hadden om daarvoor te kiezen. Jos Vos noemt deze argumenten en motieven in zijn artikel, maar maakt het niet expliciet. Misschien ben ik ook gewoon een slechte lezer, laat ik in ieder geval een poging doen om het voor mezelf helder te krijgen.

Bashõ zocht in zijn poëzie aansluiting bij het werk van de klassieke Japanse dichters. Tijdens de laatste vijftien jaar van zijn leven was Bashõ er voortdurend op uit om dezelfde lange reizen te maken en dezelfde ontberingen te doorstaan als "de ouden", om zo één te worden met een eeuwen oude artistieke traditie.
In de jaren 1680 – 1684 verliet hij het commerciële dichterswereldje van Edo (het huidige Tokio) en vestigde zich in een eenvoudig huis buiten de stad. Als dichter zonder respectabel beroep stond Bashõ al buiten de Japanse hiërarchie, en nu liet hij ook nog eens zijn kunstbroeders in de steek. Gelukkig vond hij via de traditionele Japanse poëzie, aansluiting bij de dichtende Chinese kluizenaars uit een ver verleden. Af en toe beschreef hij zijn eenzaamheid in bewoordingen die hij ontleende aan Du Fu of Li Bai en aan teksten van Zhuang Zi.

Bashõ went zich dus tot de klassieke Japanse en Chinese poëzie omdat hij zich afwend van de maatschappij waarin hij leeft.

Hoe anders is dit bij Buson.
Buson wordt beschouwd als de enige achttiende-eeuwse dichter die Bashõ’s niveau bereikte. Hij geniet tevens bekendheid als een van de grootste Japanse schilders. Als schilder geeft hij vaak gestalte aan een gedroomd China. In tegenstelling tot de spirituele zoeker Bashõ geeft Buson nooit blijk van enige religieuze bekommernis. Maar hij geeft als geen ander het gevoel van onbehagen weer dat de zichtbare werkelijkheid kan opwekken:


Een oude waterput -
hoe donker de klank van vissen
die naar muggen springen.


Als recht geaard literaat leefde Buson voor het ogenblik en kende geen groter genot dan kunst, muziek en de omgang met verfijnde courtisanes. Anders dan Bashõ droomde hij graag van de glorie dagen van het keizerrijk uit de tiende en twaalfde eeuw, waar literaire werken als "Het hoofdkussenboek" van Sei Shônagon en "Het verhaal van Genji" zijn ontstaan. Buson voelde zich vooral aangetrokken tot de hoftraditie omdat hij, als zoon van een rijke landeigenaar (of samurai ?) , zich wilde verheffen, in ieder geval wilde ontsnappen aan de vulgariteit die hem omringde in de achttiende-eeuwse stad. Dit verlangen lag aan de basis van zijn interesse in de traditionele Japanse als Chinese poëzie. Buson wenste al dichtend te ontsnappen aan de alledaagsheid.
Bashõ en Buson zochten beiden een alternatief voor de maatschappij waarin ze leefden.
Bashõ in de eenzaamheid van de kluizenaars. Buson in de cultuur en verfijning van het hofleven. Beide in de tradities van de Japanse en Chinese poëzie.

Buson’s gedicht "Lied van de Kemadijk in de lente wind" (1777).
Bij al mijn lezen en schrijven over de Japanse poezie kan ik het niet nalaten zelf ook mijn pen te proberen. Twee pogingen staan hierboven. Een andere meer afwijkende versie staat in het reprocitaat getiteld "Mona in 3D".
In het artikel van Jos Vos lezen we dat Buson aan het eind van zijn leven steeds meer ging experimenteren met de haiku vorm. Wanneer we de gedachte van Bashõ volgen, dat haiku meer een houding of levenswijze is dan een literaire vorm is dit ook niet zo gek. Integendeel heeft het misschien zelf wel erg lang geduurd voordat er meer met deze vorm gespeeld werd. Zoals Bashõ het zelf verwoorde: "Treed niet in de voetstappen van de meesters, maar zoek wat zij zochten".
Wat zochten deze oude meesters dan?
Misschien een bepaalde éénheid tussen ons en het onmetelijke dat ons omringt. In ieder geval voor even, bijvoorbeeld binnen de drie regels van een haiku.
Eigenlijk is het verrassend dat nu al tot in lengte van eeuwen wordt vastgehouden aan een, wat mij betreft, vrij discutabele vorm.


Een mooi voorbeeld van Buson’s zoeken naar andere vormen is het gedicht "Lied van de Kemadijk in de lentewind". Omdat het achttiende-eeuwse Japan geen traditie kende van lange verhalende gedichten smeedt Buson hier drie bestaande stijlen aan één:

  1. De korte drieregelige haiku.
  2. De Chinese dichterstrofe van vier regels
  3. De gestileerde taal waarin Japanners Chinees proza aanpassen aan hun inheemse leeswijze.

Buson opent dit "lied" met een korte inleiding in proza, waarin hij de indruk wekt dat hij de gedachten zal weergeven van een jong dienstmeisje op weg naar haar geboorte dorp. Duidelijk is dat echter dat de ouder wordende dichter zijn eigen verlangen naar het verleden hier verwoord.

Omwille van zijn unieke mengeling van stijlen werd het "Lied van de Kemadijk in de lente wind" erg bewonderd door de twintigste-eeuwse modernisten.
Chris23.04.06 (herzien10.06.11)

De vertaling hierna is van de hand van Jos Vos en gepubliceerd in het tijdschrift  "Het Trage Vuur, Tijdschrift voor Chinese Literatuur nr. 33 van maart 2006", met dank aan de vertaler.

Lied van de Kemadijk in de lente wind

Op een dag reisde ik naar mijn geboortedorp om enkele ouderen te bezoeken. Toen ik de Yodo had overgestoken en de Kemadijk opliep, ontmoette ik toevallig een meisje dat op weg was naar haar ouderlijk huis. We passeerden elkaar steeds opnieuw, volgden mijlen achtereen dezelfde route en raakten op den duur in gesprek. Omdat ik haar heel mooi en bekoorlijk vond, beeldde ik me in wat er door haar heen ging en schreef daar een gedicht van achttien strofen over. Ik gaf mijn gedicht de titel:
Lied van de Kemadijk in de lentewind.

Op bediendendag
verlaat ik Naniwa:
de Nagararivier!

Lentewind:
de dijk is lang,
mijn thuis verre.

Ik stap van de dijk om geurige kruiden te plukken.
Doornstruiken versperren me de weg.
Zeg doornen, waarom zo jaloers?
Je scheurt mijn kleed, schramt mijn dijen.

Rotsen steken op uit het water.
Daar ga ik op staan om bij de kruiden te kunnen.
Rotsen in het water, dank je wel!
Dankzij jullie wordt mijn kimono niet nat.

De wilgenboom
bij dat ene theehuis
is oud geworden.

Zodra de oude vrouw van het theehuis me ziet, zegt ze beleefd dat ze blij is dat het zo goed met me gaat en prijst mijn lentetooi.

In het theehuis zitten twee gasten,
vertrouwd met het taaltje van de rosse buurt.
Ter betaling werpen zij drie touwtjes met munten neer.
Ze bieden me hun zitplaats aan en vertrekken.

Twee, drie oude huizen:
een kater roept zijn poes,
maar die is nergens te zien.

Vanachter de heg roept een kloek haar kuikens.
Darbuiten is de grond met onkruid overwoekerd.
De kuikens proberen over de heg te klimmen,
maar die is hoog, en drie, vier kuikens tuimelen naar beneden.

Van de drie groene lentepaden
is eentje een binnenweg
en wenkt me toe.

Paardenbloemen in bloei, in groepjes van drie en vijf.
De groepjes van vijf zijn geel; die van drie wit.
Ik herinner me dat ik ooit over dit pad ben vertrokken.

Vol zoete herinneringen
pluk ik een paardenbloem:
witte melk loopt uit de steel.

Wat verlang ik naar de liefde die moeder me gaf, lang geleden!
Aan moeders boezem, dat was pas lente!

Dat was pas lente maar nu, opgegroeid, woon ik in Naniwa.
Wit zijn de pruimenbloesems bij de Naniwabrug en bij het huis van mijn rijke meester,
waar ik als meisje stadsmanieren heb mogen leren.

Ik ben weg uit mijn geboorteplaats. Al drie jaar veronachtzaam ik mijn broertje.
De bloeiende ent van de pruimenboom vergeet de stam.

In mijn dorp is de lente op haar mooist. Veder loop ik, en nóg verder.
De lange weg over de dijk, afgezet met wilgen, gaat een stuk naar beneden.

Ik kijk op en zie, in de schemering, mijn thuis.
Tegen de deur leunt een vrouw met grijze haren;
met mijn broertje in de armen heeft zij gewacht, heel de lente.

Ken je het vers van de oude dichter Taigi niet?

Bediendendag:
slapen aan de zijde
van een van beide ouders.

Matsuo Bashõ , Een woedende zee! (aanvulling)

Graag borduur ik nog even voort op het thema toeval. Tijdens een bezoek aan de stad Leiden, museum De Lakenhal – prachtige expositie over Lucas van Leyden – en de botanische tuin loop ik 'bij toeval' tegen twee fraaie Japanse gedichten aan. In de stad zichtbaar gemaakt als muurgedicht. Een van deze gedichten is van Matsuo Bashõ , te weten het gedicht Een woedende zee!



Dichter  :         Matsuo Bashõ , Japan, 1644 - 1694
Gedicht :         Een woedende zee!
Locatie  :         Rapenburg 75 (zijgevel aan de Nonnensteeg), Leiden
Sinds     :         1994 (nummer 25)
Let op    :        Na het opknappen van de buitenmuren van de woning in juli 2006 is dit
                        muurgedicht opnieuw wordt aangebracht.

Een woedende zee!

Een woedende zee!
tot aan het eiland Sado
strekt zich de melkweg.
(vert. J. van Tooren)

Araumiya

Araumiya
Sado ni yokotau
Amanogawa

The rough sea

The rough sea -
Extending toward Sado Isle,
The Milky Way
(vert. R.H. Blyth)

Dit gedicht is uitgezocht Vincent Icke, sterrenkundige, natuurkundige, en beeldend kunstenaar. Hij woonde hier tot 2006. Het gedicht stond op de zijgevel van zijn huis. Zijn antwoord op de vraag naar de achtergronden van zijn keuze: "Wat de haiku betreft: ten eerste vond ik 'm mooi. Ten tweede zit er een sterrenkundige beeldspraak in. Ten derde is het onderwerp ontroerend. Sado was een gevangenis-eiland, zoiets als in Amerika Alcatraz. Basho geeft aan dat de veroordeelden daar van het vasteland gescheiden zijn door de "woedende zee", een onoverbrugbare hindernis, zowel geografisch (zee) als emotioneel (woedend, omdat zij door hun medemensen verstoten zijn). Maar desondanks worden zij, of je het wilt of niet, met het land en de vrije mensen verbonden door die lichtende band aan de hemel, de Melkweg, die een brug vormt van horizon tot horizon."



Signatuur Vincent Icke
Icke ondertekende met de hierbij afgebeelde signatuur. Door hem zelf ontworpen om op de Japanse kersenbloesem te lijken, die je ook wel in Japanse familiewapens tegenkomt. Het beeld is samengesteld uit zijn initialen "v" en "i" (onder elkaar geplaatst, zodat het puntje op de i in de vork van de v valt), vijfmaal herhaald met 72 graden rotatie, en vervolgens zijn de niet-overlappende gedeelten ingekleurd.

Toelichting uit "The master haiku Poet Matsuo Basho" door Makoto Ueda (Twayne Publishers, Inc., 1970).
Accompanied by Sora, Basho left Edo in the late spring of 1689. Probably because of his more stern and ascetic attitude toward the journey, farewell festivities were fewer and quieter this time. He proceeded northward along the main road stopping at places of interest such as the Tosho Shrine at Nikko, the hot spa at Nasu, and an historic castle site at
Iizuka.  When he came close to the Pacific coast near Sendai he admired the scenic beauty of Matsushima. From Hiraizumi, a town well known as the site of a medieval battle, Basho turned west and reached the coast of the Sea of Japan at Sakata.  After a short trip to Kisagata in the north, he turned southwest and followed the main road along the coast.  It was from this coast that he saw the island of Sado in the distance and wrote one of his most celebrated poems:

Araumiya                  The rough sea -
Sado ni yokotau        Extending toward Sado Isle,
Amanogawa              The Milky Way.

Because of the rains, the heat, and the rugged road, this part of the journey was very hard for Basho and Sora, and they were both exhausted when they
finally arrived at Kanazawa.  They rested at the famous hot spring at Yamanaka for a few days, but Sora, apparently because of prolonged ill-health, decided to give up the journey and left his master there. Basho continued alone until he reached Fukui.  There he met an old acquaintance who accompanied him as far as Tsuruga, where another old friend had come to meet Basho, and the two traveled south until they arrived at Ogaki, a town Basho knew well.  A number of Basho's friends and disciples were there, and the long journey through unfamiliar areas was finally over. One hundred and fifty-six days had passed since he left Edo.

The travel marked a climax in Basho's literary career. He wrote some of his finest haiku during the journey. The resulting journal The Narrow
Road to the Deep North  (Oku no Hosomichi), is one of the highest attainments in the history of poetic diaries in Japan. His literary achievement was no doubt a result of his deepening maturity as a man. He had come to perceive a mode of life by which to resolve some deep dilemmas and to gain peace of mind.  It was based on the idea of sabi, the concept that one attains perfect spiritual serenity by immersing oneself in the egoless, impersonal life of nature. The complete absorption of one's petty ego into the vast, powerful, magnificient universe - this was the underlying theme of many poems by Basho at this time, including the haiku on the Milky Way we have just seen.  This momentary identification of man with inanimate nature was, in his view, essential to poetic creation. Though he never wrote a treatise on the subject, there is no doubt that Basho conceived some unique ideas about poetry in his later years. Apparently it was during this journey that he began thinking about poetry in more serious, philosophical terms.  The two earliest books known to record Basho's thoughts on poetry, Records of the Seven Days (Kikigaki Nanukagusa) and Conversations at Yamanaka (Yamanaka Mondo), resulted from it.

Het ander gedicht dat ik in Leiden op een muur aantrof, overigens geen haiku (tanka?), is van Sugawara no Michizane.

Dichter  : Sugawara no Michizane , Japan, 845 - 903
Gedicht : Zonder titel
Locatie  : Rapenburg 73 (Hortus), Leiden
Sinds     : 22 april 2002 (nummer 82)

Als de wind uit het oosten waait
zend me dan jullie geur
bloesems van de pruimeboom
jullie baas is weg
maar vergeet toch de lente niet!

Kochi fukuba
nioi okoseyo
Ume no hana
aruji nashi tote
haru na wasureso

If the east wind blows this way,
Oh blossoms on the plum tree,
Send your fragrance to me!
Always be mindful of the Spring,
Even though your master is no longer there!

Dit muurgedicht is uitgezocht door Titia van der Eb - Lindeboom.
Ter gelegenheid van de viering van vierhonderd jaar betrekkingen tussen Nederland en Japan, schonk de Universiteit van Nagasaki vorig jaar 155 Japanse 'Ume-heesters' aan de Universiteit Leiden. Enkele hiervan zijn door de Hortus geplant in het vak vlakbij de plek van dit muurgedicht. Ume is de Japanse naam voor de ook in Nederland bekende prunussoort Mume. Dat de Universiteit van Nagasaki juist deze zeer vroeg bloeiende Japanse abrikoos ten geschenke gaf, heeft een speciale reden. De bloem van de Ume is in Japan het symbool voor wetenschap. Deze symboolfunctie gaat terug op het familiewapen van Sugaware no Michizane (845-903). Het embleem van de familie Michizane was de Ume. Michizane viel door intriges in ongenade bij de keizer en werd verbannen naar het Zuidelijke eiland Kyushu, ver weg van de hoofdstad Kyoto. Na zijn vertrek brak er een tak van de Ume-boom uit zijn tuin af, en deze tak reisde hem achterna. Dit verhaal wordt in talloze gedichten gememoreerd. Naast wetenschapper was hij ook een belangrijke politicus en dichter in de Heian-periode (794-1185). In 901 werd hij onterecht beschuldigd van hovaardij en verbannen. Hij stierf in 903, nadat hij een reeks gedichten schreef waarin hij zich beklaagde over zijn lot en zijn vasthield aan zijn onschuld. Na zijn dood kreeg Michizane eerherstel en tegenwoordig wordt hij nog altijd vereerd als beschermer van de literatuur. Veel heiligdommen zijn aan hem gewijd, en als de examentijd nadert bezoeken scholieren en studenten zo'n heiligdom om bijstand te vragen. Studenten kopen nog altijd amuletten met zijn afbeelding erop, voordat ze hun toelatingsexamen doen. De vruchten van de Ume werden vroeger gebruikt als voedsel, medicijn en als conserveringsmiddel voor rijst. In Japan staat de Ume vaak op het dorpsplein de boom is bekend en geliefd bij de Japanse bevolking.

Eén van zijn gedichten siert nu een muur in de Leidse Hortus. Het (titelloze) gedicht is vrijdag 19 april 2002 op de muur gecalligrafeerd door Chikako Wijsman-Saga (echtgenote van drs. Paul Wijsman, medewerker bij de opleiding Japans/Koreaans). Zij verving voor één keertje de vaste schilder van de muurgedichten, Jan-Willem Bruins.
Chris28.05.11 (herzien 10.06.11)

Bronnen:

  1. Bashõ "De smalle weg naar het verre noorden" privé domein 256, vertaald en ingeleid door Jos Vos.
  2. Bashõ "De herfstwind dringt door merg en been" privé domein 242, vertaald en ingeleid door Jos Vos.
  3. Lesley Downer "Op Bashõ’s smalle weg naar het hoge noorden"
  4. "Spelen met wind en maan" (Haiku in Nederland) redactie Joop van Hulzen en Servaas Goddijn.
  5. J. van Tooren "Japanse gedichten" (de mooiste Haiku, Senryũ en Tanka)
  6. Het Trage Vuur - Tijdschrift voor Chinese literatuur - nr. 33 van maart 2006
home tekenlog schilderijen ruimtelijk werk grafiek reprocitaat kunst kolom video/ audio fotografie tekeningen
contact