Antoine Mes (1927)

In zijn boek over het werk van de Zeeuwse kunstenaar Antoine Mes geeft Ad Beenhakker een mooie omschrijving van het landschap van Mes.
"Het landschap begint bij je voeten. Ze staan op vaste, stevige grond. Als je naar beneden kijkt, kun je zien waar je staat, ergens op de Zeeuwse bodem. Soms is het de naakte, onbewerkte kleigrond, soms groeit er gras, of geelgerijpt koren. Soms bedekt een dunne sneeuwlaag het land, waaronder de bruine aarde nog voelbaar is. Maar wat het seizoen ook moge zijn, je voeten staan altijd in een monochroom landschap, dat beheerst wordt door het zinderen en tintelen van één enkele kleur. Langzaam gaat de blik naar boven. Het landschapsbeeld verandert niet, het blijft bepaald door die ene kleur. Soms heb je houvast aan een enkele lijn, die je meeneemt naar boven, de verte in. Het kan een karrenspoor zijn of een sloot. Pas als je jezelf helemaal hebt opgericht, blijkt het veld grenzen te hebben. Er komt een horizontale lijn in beeld, het einde van een akker. Daarboven verschijnt een andere akker, in een andere kleur. De sloot tussenbeide laat zich nog net aftekenen. We kijken nu al ver weg, de tweede akker neemt slechts een klein gedeelte van het beeldvlak in. Andere horizontale lijnen komen in beeld. De akkers volgen elkaar op. Daar verschijnen boomgroepen, het dak van een boerderij. Een brede groene baan sluit het beeld af; het is de dijk die de polder begrenst. Op de dijk staat een lange rij populieren. Ze zijn al zo ver weg dat hun stammen niet meer zichtbaar zijn. Hun aaneengesloten kruinen vormen een brede baan die tegen de lucht lijkt te zweven."

Hier moet ik de fraaie beschrijving van Beenhakker helaas loslaten. Volgens hem eindigt hier de wereld, is de wereld de polder die eindigt bij de dijk. 
Mijn grootouders woonden vroeger in een huis niet zover van de zeedijk. Voordat deze dijk een jaar of veertig geleden met 1 à 2 meter verhoogd werd (op "delta"hoogte werd gebracht) konden we vanuit de achterkamer de zeeschepen hoog boven de dijk voorbij zien varen, op weg van en naar Antwerpen. Zittend op de "muralt"muurtjes ("muralt-muur", "zittend op") boven op de dijk en uitkijkend over het water naar de schepen en naar de overkant, was er altijd voldoende te fantaseren. In Zeeland eindigt de wereld juist nergens, nog is dat in de schilderijen van Mes het geval.
Zee en land gaan eindeloos en soms letterlijk in elkaar over. De overgangen van zee, land en lucht zijn vaak moeilijk te duiden, nergens is er een einde. De polder is het vertrekpunt om de wereld te duiden.

Het is het landschap zoals we dat alleen in de Zeeuwse delta aantreffen. In de schilderijen van Mes is dat het landschap van de strakke kleipolders van Noord-Beveland.
Noord-Beveland is een jong eiland, want in 1530 is het oude Noord-Beveland in zijn geheel verdronken. Pas in 1596 werd begonnen met de her indijking en in de daarop volgende 100 jaar is het eiland polder voor polder op de zee heroverd. Het landschap draagt het karakter van de rationele zeventiende eeuw: rechte, met populieren, begroeide dijken, kaarsrechte wegen en sloten, uitgestrekte kavels, grote trotse boerderijen met hoog opgaand geboomte. Dit verkavelingpatroon met rechthoekige lang gerekte stukken grond, dwarsliggend tussen de aangelegde dijken en de evenwijdig daarmee aangelegde wegen bleek uitermate succesvol. Door deze verkaveling werd versnippering voorkomen en werd een rationele bedrijfsvoering mogelijk. - Hierdoor werd ook een individualistische en zelfstandige boerengemeenschap mogelijk, dit in tegenstelling tot de feodale structuur van de ambachtsheerlijkheid die tot dan toe regel was.
De gewone wetten van het perspectief gelden hier niet. De landschapsschilderijen van Antoine Mes vormen het (voorlopige ?) eindpunt van een lange ontwikkelingsgang. Het is zijn manier om het verhaal van het landschap op het platte vlak over te brengen. Steeds is zijn aandacht gericht op helderheid en eenvoud. Daarbij is het van belang om in het achterhoofd te houden dat Antoine Mes van oorsprong een monumentaal kunstenaar is. In zijn monumentaal werk is hij gewend zijn vorm groot en eenvoudig te houden.

Bij eerste beschouwing roepen de landschappen van Mes associaties op met het werk van Piet Mondriaan. (zie ook Mondriaan1 en Mondriaan2)
De overeenkomst met het werk van Mondriaan is echter slechts schijn. In werkelijkheid zijn hun uitgangspunten geheel verschillend. Mondriaan heeft zich in de loop van zijn ontwikkeling geheel losgemaakt van de weergave van de omgeving. Zijn streven was gericht op het scheppen van een universele beeldtaal, die volkomen los staat van de ons omringende wereld. Bij hem zijn de kleuren en de vlakken absoluut en autonoom. Ze verwijzen alleen nog naar zichzelf en drukken slechts volledige harmonie uit.
Het werk van Antoine Mes is niet abstract. Het is altijd een weergave van de werkelijkheid, zij het dan dat die tot haar eenvoudigste essentie wordt herleid. Al het overbodige wordt weggelaten.

Door te vereenvoudigen en weg te laten opent Mes een nieuwe horizon en wordt het Zeeuwse landschap een vertrek punt waar vanuit we de wereld kunnen verkennen.

Vereenvoudigen en weglaten dus. Om zo meer zichtbaar te kunnen maken.
Chris290106

Naschrift.
De eerste week van mei zijn we een weekje met vakantie op Noord-Beveland. In het vakantiehuisje waar we verblijven vind ik een boek over de geschiedenis van dat eiland.

Deze geschiedenis raakt aan het werk van Antoine Mes zoals hiervoor omschreven en biedt nog wat meer inzicht in de relatie tussen het werk van Mes en het Zeeuwse landschap zoals hiervoor door Ad Beenhakker omschreven. Tevens raakt deze geschiedenis aan iets dat me al heel lang boeit, namelijk de Nederlandse reis van Albrecht Dürer. Die daarbij onder andere Zeeland aandoet en (bijna) schipbreuk leidt bij zijn oversteek naar het Noord-Beveland van voor de St. Felixvloed van 1530.
Al lezend blijkt de ontstaansgeschiedenis van Noord-Beveland wellicht nog een verband te hebben met de geschiedenis van mijn familie.
Hoewel we dan wel heel ver verwijderd raken van het werk van Antoine Mes kan ik het toch niet laten deze drie ragfijne draadjes wat verder uit te spinnen. Eens kijken of ik er drie steviger draden of misschien wel een nieuw weefsel van kan maken.

Waar zal ik het verhaal laten beginnen? Op dit moment kan dat nog bijna overal zijn.
Laten we zeggen in het Brussel van 1595. De Staten Generaal weigeren nog altijd Philips Willem, de oudste zoon van Willem van Orange en zijn eerste vrouw Anna van Egmond en Buren toestemming te geven de Noordelijke Nederlanden te betreden. Als dertien jarige jongen werd hij destijds door de Spanjaarden mee –ont- gevoerd naar Spanje. Wanneer hij uiteindelijk na 28 jaar zijn vrijheid terug krijgt wordt hij gewantrouwd. Ondertussen tracht zijn halfbroer Maurits de erfenis van Philips Willem naar zich toe te trekken. Dit weerhoud deze Philips Willem er niet van de bedijking van Noord-Beveland voor te bereiden.

Het waarom is me nog niet helemaal duidelijk. Waarom deze schorren en slikken in het niemandsland tussen het katholieke Vlaanderen en het protestante Holland zich in deze speciale belangstelling mogen verheugen. Waarom gaat een prins van den bloede, die bezig is zijn vermeende rechten op te eisen in een land dat in oorlog is zich bezig houden met de inpoldering van een aantal natte gronden waar op dat moment alleen een verdwaalde herder zijn schapen weidt. Dit alles in een delta die in de hele geschiedenis geen rol van betekenis speelt.

Blijkbaar heeft Philips Willem wel een antwoord op deze vraag en gaat hij gesteund door zijn zuster Maria van Nasseau verder met de voorbereidingen. Landmeters en kaartenmakers gaan aan de slag en er worden tussen personen ingeschakeld om de inpoldering technisch, juridisch, administratief en financieel voor te bereiden.
Deze tussen personen Pieter Stoffelsz en Lieven Werkendet doen uitgebreid (financieel) verslag van deze voorbereidingen.
De voorbereidingen brengen het tweetal in 1597 onder anderen naar Tholen (een ander Zeeuws eiland) om in een herberg daar de verpachting van de nog te bedijken gronden te regelen. Nu loopt het spoor van mijn familie (Engelsman) een paar decennia later (omstreeks 1640) vast in een herberg ("De Brandewijnkrouch") op het eiland Tholen. Het is onwaarschijnlijk, maar wel een mooie gedachte, dat een van mijn verre voorvaderen brandewijn heeft geschonken bij de verpachting van eerste gronden op Noord-Beveland.

Een jaar na deze verpachting, in 1598, werd een begin gemaakt met de bedijking van Noord-Beveland. De eerste bevolking wordt getypeerd als een reizende en trekkende bevolking die overal en nergens vandaan kwam, Vlaanderen, Frankrijk, Duitsland, Limburg, Engeland, Holland, Brabant. Maar ook van nog verder weg Turkije en Barbarije (of Beberije N-W Afrika, het huidige Marokko en Algerije) Zij brachten allen hun verhalen mee. Het raamwerk van hun blikveld moet aanmerkelijk ruimer zijn geweest dan dat van de volgende generaties, die lange dagen lang hun armoedige kost bij elkaar scharrelden en doof waren voor wat er verder rond het eiland gebeurde. Ook Welten, de geschiedschrijver van Noord-Beveland, beschrijft de dijk hier als een fysieke en mentale grens. In feite in gelijke bewoordingen, die Beenhakker ook gebruikt voor de beschrijving van het werk van Mes.
Voor mij bied een dijk fysieke bescherming, maar is tevens een uitkijkpunt om verder te kijken en te dromen. Waar het voor anderen blijkbaar een fysieke en mentale grens vormt. Toch kan ik me lastig voorstellen dat vanaf de dijk uitkijkend over het spel van licht, lucht, wind en water iemand niet droomt van wat er verder is …

Op dit moment rest mij alleen nog de schipbreuk van Albrecht Dürer bij zijn oversteek naar Noord-Beveland in 1521. De Duitse schilder en graficus Albrecht Dürer (1471 – 1528) woonde in oktober 1520 de kroning bij van keizer Karel V in Aken. Vervolgens reisde hij door Nederland en Vlaanderen. Dürer en zijn vrouw (Agnes) bleven een jaar lang in de Nederlanden. Hij reisde op zijn gemak en maakte veel schetsen en aantekeningen. Gepubliceerd in zijn "Tagebuch der Niederländischen Reise". Hierin kunnen we lezen hoe beroemd Dürer al tijdens zijn leven was. Maar ook zijn fascinatie voor "rariteiten" wat verzamelde hij niet; het schild van een schildpad, een elandpoot, de horens van een os, een grote vin, vijf slakkenhuizen, twee gedroogde vissen, een stuk wit koraal en vier pijlen van riet. Wanneer hij hoort dat er bij Zierkzee in Zeeland een walvis "van bijna tweehonderd meter" is aangespoeld bedenkt hij zich geen moment gaat hij ondanks de winterse kou onmiddellijk op weg om dit mirakel te zien.* Ergens tijdens deze tocht leidt hij schipbreuk, volgens mij ter hoogte van Noord-Beveland. Aan deze reis hield hij een ernstige verkoudheid over waarvan hij niet meer geheel zou herstellen. Dit alles om te vernemen dat de walvis bij vloed weer was weggedreven. Een fascinerende reis, waarop ik graag nog een keer terug kom. Op dit moment beschik ik echter alleen over een versie van dit dagboek in de oorspronkelijke taal (het Duits van de 16e eeuw) die voor mij bijna niet te lezen is.

De drie afzonderlijke draadjes waarmee ik vertrok zijn wel iets steviger geworden, maar nog lang niet sterk en vormen zeker nog geen tapijt. Of dat er ooit van komt …
Volgens mij heb ik hier aan deze kust wel de ideale locatie gevonden om de opnames voor een video te maken waar ik al heel lang van droom. Precies de goede sfeer, zee, lucht en helder, goudkleurig licht dat ik zoek. Of komt dat omdat ik op dit moment een boek over Aelbert Cuyp lees? Om herinnering aan idee en plaats levend te houden heb ik wat voorbij drijvend materiaal samengevoegd tot het ruimtelijk werk getiteld "Zout" (2006)

* Aardig is dat er op dit moment langs de Belgische kust een beelden tentoonstelling te zien is "2006 Beaufort" waarbij o.a. een kudde levensgrote olifanten over het strand lopen (Kunstwerk van Andries Botha) en een reuzen spin waakt over het graf van James Ensor (Kunstwerk van Louise Bourgeois). En geloof het of niet, maar los van deze tentoonstelling lag er ergens onderweg een walvis in het landschap. Dürer zou hier vast van genoten hebben.
Chris10.05.06

Tegen het einde van de vakantie vind ik nog en mooi gedicht van Gerrit Kouwenaar wat de locatie die ik zoek mooi omschrijft.

Een ochtend

Een ochtend of het nooit meer avond wordt
talend naar stilstand was het nooit zo licht

de boomtop staat in brand in vlammen roerloos wit
het onland opent zich naar nergens is een hand

de dag vriest in zijn datum vast, hij ziet zich na
over de brug van taal die anderzijds niet is

hier hoort men thuis zoals men zich verliest
de maaltijd zweet zich koud, de foto drink zich blind

hier duurt wat zich bedierf, namaals is goudpapier
dun als de vlinder die onwetend rouwt
en in zijn mantel uit zijn vleugels valt -

Bron:
Dr. J.B.V. Welten: Droogleggers aan de Oosterschelde. (De Bataafsche leeuw Amsterdam 1993)
- derde en laatste deel in een serie over herdijking van het eiland Noord-Beveland in 1598 -

Naschrift02
Soms raakt een kunstenaar tijdelijk uit je blikveld om dan, vaak bij verrassing weer ergens op te duiken. Deze verrassing is des te groter wanneer dit op een volkomen onverwachte plaats gebeurt.
Bij mijn laatste bezoek aan Zeeland kom ik in Middelburg op het Abdijplein, in de schaduw van de Lange Jan, een gedicht van Thom Schrijer tegen geschreven naar aanleiding van de schilderijen van Antoine Mes.
Nog geen week later ben ik voor mijn werk op bezoek bij de gemeente De Bilt (Utrecht). Daar is, in een mooie lichte verbindingszone tussen het oude en het nieuwe gemeentehuis, een kleine expositie van het werk van Antoine Mes ingericht.
Gelukkig is het Zeeuwse landschap nog steeds de inspiratie. We luisteren even mee naar een korte toelichting van de kunstenaar zelf:

"Het Zeeuwse landschap is een voortdurende bron van inspiratie voor het maken van mijn schilderijen.
Ik kijk naar het landschap op een manier die niet meteen door de aanschouwer van mijn schilderijen wordt herkend en gezien. Toch vormt wel degelijk het kijken naar het landschap de basis voor het komen tot de beeldvorming daarvan. Ik wil vorm geven aan de uitgestrektheid en de weidsheid van het land, daartoe laat ik mijn blik dwalen van links naar rechts, van laag naar omhoog. Dit gaan bestrijkt de afstand van een af te leggen stuk vanaf de voeten tot de horizon en hoger, vanaf het gaan van links naar rechts en andersom. Dit soort afstandsmeting laat ik werken in de compositorische ordening van het schilderij.
De beeldelementen die onderweg in mijn blikveld komen, zoals een weg, een sloot sporen in het land, bomen, zowel groepsgewijs als in stroken aan de horizon of staand rond een boerderij als compacte plek in het land, kunnen worden gebruikt. De indeling van het land, vaak ontstaan door bewerking van het land door de boeren, resulterend in horizontale en verticale vlakken, lijnen, stroken en massa's, geeft mij de mogelijkheid tot het maken van vrije vlakmatige composities, waarin de genoemde elementen een plaats kunnen vinden als duiding van dit landschap.Voeg hieraan toe de kleurvarianten en kleurstellingen die te zien zijn in de verschillende jaargetijden zoals lente, zomer, herfst en winter, die stemmingen kunnen geven die karakteristiek zijn voor de uitdrukking van de sfeer van het ondergane landschap.
Ziehier de ingrediënten waarmee ik "mijn landschappen op het doek zet, gecompleteerd met de uitdrukking van de verfstreken en de afweging van de gemaakte kleurstellingen."


Prachtig werk, nog steeds. Jammer genoeg had ik slechts een zeer eenvoudige klikklakcamera op zak. Maar toch. Een klein overzicht van de expositie vind u hier onder.
Chris30.10.09


Overzicht van kunstenaars die "iets" met Zeeland hebben. Er wonen, gewoond hebben of wiens werk beïnvloed is door.
Antoine Mes, Piet Mondriaan (1), Piet Mondriaan (2), Reynier de Muynck, Matthijs Röling.

 

home tekenlog schilderijen ruimtelijk werk grafiek reprocitaat kunst kolom video/ audio fotografie tekeningen
contact