Philipp Otto Runge ‘The lesson of the Nightengale’

Jacob Van Eyck - (Engels) Nachtegael (1649)

Der Fluyten lusthof

Chris den Engelsman

De Stichtse Orpheus
blaast zijn variaties over
het Janskerkhof motiefjes
en een crescendo

Een nachtegaal vliegt
hoger dan de Dom zijn
zang verklinkerd de blinde
bard bespeeld zijn klokken

Psyche met de vlindervleugels
geeft Amor haar instructies
geen nachtegaal te bekennen

Een blinde muzikant een
schilder en een nachtegaal
dansen
één ogenblik samen

Jacob van Eyck (1590 – 1657) was stadsbeiaardier van Utrecht, componist en blokfluitist. In deze laatste hoedanigheid vermaakte hij vaak ’s avonds de bezoekers van het Janskerkhof in Utrecht. ‘Der Fluyten lusthof’is zijn bekendste muziekbundel.

Philipp Otto Runge (1777 – 1810) was een Duitse schilder uit de romantiek. In 1810 publiceerde hij zijn kleurenleer (in twee essays 'Farbenkugel/ Color Sphere' en 'On the duality of color'), na intensief contact met Goethe hierover. Op zijn ‘The lesson of the Nightengale’ is geen nachtegaal te bekennen. Wel Psyche – de personificatie van de ziel – die Amor instructies geeft.  


Philipp Otto Runge 'Color Sphere'

De Nachtegaal (Luscinia megarhyndios) is een zangvogel die we vaker horen (vooral ’s avonds en ’s nachts) dan zien. Ze houdt zich meestal verborgen in een dicht struik gewas.

Philipp Otto Runge 'The Great Morning'

Philipp Otto Runge 'The Small Morning'

De melodieën van veel liedjes van Jacob van Eyck gaan terug naar vooral uit Engeland en Frankrijk afkomstige originelen.
Zo is het ‘(Engels) Nachtegael’ (1649) gebaseerd op ‘The Nightingale’(ca. 1633) van een anonyme componist en dichter. De Engelse tekst en uitvoering vind u hierna.

  Anonymous - The Nightingale (ca.1633)

The Nightingale

Anonymous

The Nightingale: Whose curious Notes are here
explain’d, in a dainty Ditty sweety fain’d.
To a new and much affected Court Tune.

Your Gallants that resort
To Hide Parke or Totnam Court ,
To recreate
And to elevate
Your sences when they are out of date.
Come listen to my Song,
Which doth belong
To the Nightingales sweet tongue:
This Musicke rare
To heare this little, pretty, dulcid, dainty Philomel
How she makes the Woods for to ring,
Sweet, sweet, sweet, sweet,
Jug, jug, jug, jug, sweet, jug, jug, jug, jug,
The Nightingale doth sing.

The Courtiers in theire pride,
Walking by the greene Wood side,
They doe much admire,
When they heare the Quire,
Of little Birds whose notes aspire,
Above all the rest,
They fancie best
The Nightingales sweet breast,
For she doth straine
Her little pretty, dulcid, dainty, pleasant throat,
With musicke fit for a king,
Sweet …  

The Citizens would faine
Heare Philomels sweet straine,
But that they feare
When they come There,
The curious constant Note to heare,
And therefore they refuse
And will not use,
The Woods if they can chuse,
But yet sometimes,
This little, pretty, dulcid, dainty dilly,
They delight to heare in the Spring.
Sweet …

The Prentices doe stray,
Upon the first of May,
To meet their Loves
In the gay greene Groves,
Where every one theire fancie proves,
And with Loves delight,
From morne till night,
They feed their appetite;
And while they wooe
This little, pretty, dulcid, dainty creature,
Her musicke to them doth bring,
Sweet …  

From: ‘English broadside’, 17th century
(The Roxburghe Balled Collection I: 296-297)

home tekenlog schilderijen ruimtelijk werk grafiek reprocitaat kunst kolom video/ audio fotografie tekeningen
contact