Rubens’ vrouwen

Wislawa Szymborska

Een vrouwenfauna van titanen,
zo naakt als rommelende tonnen.
Ze nestelen in platgelegen legers,
slapen gapend met hun kraaimond open.
Hun pupillen zijn naar binnen gevlucht,
dringen tot het binnenste der klieren door,
waaruit het gist hun bloed in sijpelt.

Dochteren der barok. Deeg rijst in de trog,
de baden dampen, wijnen blozen,
biggenwolkjes galopperen langs de hemel,
de bazuinen brullen het lichaamsalarm.

O pompoenenplompe, o overgrote,
door het afwerpen van het gewaad dubbeldikke,
en door de onstuimige pose driedubbeldikke
vette gerechten der liefde!

Hun magere zusters zijn vroeger opgestaan,
voordat op het schilderij de dageraad aanbrak.
En niemand heeft ze in ganzenpas zien lopen,
over de lege achterzijde van het doek.

De ballingen van de stijl. De ribben geteld,
een vogelnatuur in handen en voeten.
Spitse schouders waarmee ze weg willen vliegen.

De dertiende eeuw had hun een gouden fond gegeven,
de twintigste een zilveren scherm.
De zeventiende heeft voor platten wezens niets.

Immers, hier bolt ook de hemel op,
bol zijn de engelen, bol is de god –
een besnorde Phoebus die op zijn zwetend
ros de ziedende alkoof in rijdt.



Zie ook: Szymborska - Byzantijns mozaïek, Szymborska - Hiroshige, Szymborska - Bruegel, Szymborska - Middeleeuwse miniatuur.

home tekenlog schilderijen ruimtelijk werk grafiek reprocitaat kunst kolom video/ audio fotografie tekeningen
contact