Boutens-Konijnenburg
 Willem A. van Konijnenburg 'Limburgs landschap' 42 x 32 olieverf op paneel

ACHTTIEN VERZEN
BIJ WERKEN VAN
WILLEM A. VAN KONI]NENBURG
I933

DROOM EN WERKELIJKHEID

P.C. Boutens


Dit is geen droom, maar meer dan wakker zijn.
En heel alleen ben ik ontwaakt
Tot dit festijn,
Van al beminden eenzaam en verzaakt!
Wie proeft, en wie doorsmaakt
Het kostlijkst brood, den eêlsten wijn,
Niet eerst door liefste lippen aangeraakt?
Hoe wint mijn aarde-ontslapene vermoeienis
Kracht om alleen te spijzen aan zoo eeuwger vreugden disch?

O stil, ik wist wel dat gij komen moet!
Met alle daagsche sterflijkheid
Tot zoete naaktheid afgeleid,
Wegzeker op slaapwandelenden voet.
Hier zijn wij veilig, hier is
't goed,
In nevellooze werklijkheid
Van ziel en geest en bloed,
Boven den mist bevrijd
Uit weifellage schaamte en werelds roet ...
Geen vrees voor valsch gerucht dat u zou storten
Neêr van drooms luchten sporten ...

Hier is het goed.
Ik weet, eenmaal ontwaakt ook gij.
Wanneer wanneer, en saam met mij?
Doch voor den tijd, voor de eeuwigheid te komen
Laat waken mij door al den duur,
Van uur naar uur,
En moogt gij droomen!


VOGELS

P.C. Boutens

In deze wolkenvlucht .:vanvogelen
Heeft tusschen steilen hemel en vlakke aard
De Geest het tijdlijk kleed aanvaard
Van millioenen vleugelen
Tot luchten mantel die zijn aanzijn hult en openbaart:
Zijn adem bolt en sluikt
De dichte plooien naar hij zich verduikt,
En jaagt het levend licht
Dat beurtlings laait en zwicht,
Door al de verste diatane
Wapprende sluierbanen,
Gelijk het spelen van een kind
Dat aarde en hemel in elkaêr bemint
En saam verbindt.


PORTRET



P.C. Boutens


'k Las in de trekken van uw aangezicht
Het heimwee naar een hooger koeler licht
Dan den nachtmoeden sulferschijn
Van dit ravijn.

Sterk u, en kom: de weg is lang en steil:
Reeds schift en flardt het bleeke zeil
Van kim gestrande maneboot:
Over de bergen huift het hemelrood.

Houd met mij vol, en zie niet om,
Gedachtig haar wier zoutkolom
Bleef buiten Sodom halverreize
In duurzaam ijzen.

En reiken wij niet tot den lichtsten top,
Ik breng u zeker tot in Zoar op,
Waar wij tijds brand en zijnen dooven schijn
Teboven zijn.


ROTSLANDSCHAP



P.C. Boutens

De romp van Babels torenbouw verweerd
Tot ruige rots met schoudren boschbeveêrd
En groengemanteld onder
't steil profiel
Dat overschouwt den kloofgeglooiden hof,
Den tuin bewoonbaar eindlijk voor de ziel,
Aan wie als huizing altijd pas geviel
De bouwval der omhooggezwoegde stof;
En orglend door
't ventiel
Van der spelonken krocht-
En trechtergangen, -
Bereikt gevleugeld haar verlangen
Den verren hemel dien het zocht.


MOEDEROOGEN



P.C. Boutens

Boven den mildgestrengen mond en zijn verzwegenheid
Van hartewoorden in vereêlsteende genegenheid,
Als over liefdenachten licht de zomerdageraad-:
O heimlijk teêr, niets achterhoudende verraad
Van oogen die uw kinds onuitgesprokene geraaktheid
Rein spiegelt tot zijn eerste zaalge moedernaaktheid.


VECHTENDE MONSTERS



P.C. Boutens

Hier is geen keus van vrede of strijd.
't Is krijg, 't is rust die voorbereidt
Felleren aanslag, grimmiger verweer.
Alle overwinning port als speer
Tot nieuwe' opzet van hachelijker wagen;
Wie vrede houdt, geeft zich verslagen.
Naast dezen tartverbeten drang en nood
Bestaat voor ons alleen ontbindings dood.
De vijand en zijn buitenafsch gevaar
Noopt binnen in Ons bij elkaêr
De eendracht van spanning ingenomen
Door de geleedren der atomen.
En ergens ver beseft een glimp van geest
Het doel van
't uitgelaten levensfeest :
Hoe onze doodelijke spelen
Verwekken moeten en vereêlen
,t Wezen wiens majesteit
Dwingt alle stof en geest bereid
Hem in geblind ontzag te dienen voor altijd.


MEISJESPORTRET



P.C. Boutens

Uit welke glansverfloersde wel
Vlinderen voor een oogenblik
Deze oogen op in kleurgedempten schrik
Tot dit in noodrust ingevangen spel
Van onberekenbaar verwachten
En overdaad van amper ingedachte
Verrukkingen, zoo zeker-zoet voorspeld
Als telkens onbekommerd uitgesteld
Tot koepelenden hemel die omsloot
't Eenzijdig onmeêdeelbaar leven,
Aan zich alleen als recht gegeven,
En enkel andren geldt de dood.


GELEIDERS VAN OSSENWAGEN MET AFGODSBEELD



P.C. Boutens

Ons heeft de hoogste dienstbaarheid
Uit levens diensthuis uitgeleid:
Niets meer ter wereld kan de ziel verslaven
Van die zich ongebukt en vrij
Aan de' adeldom der slavernij
Met geest en lichaam overgaven.


TEEKENINGEN RIDDERS EN EDELVROUWEN



P.C. Boutens

Zoo valt de schoonheid wel in sneeuw bij nacht
En kleedt in ijlste teêrste dracht
Vormen die ons lichtverwende
Oogen in hun lijnverloren
Ingesluimerde bekoren
Niet langer onderkenden:
Gelijk grafiet- en zilverstift
Hier overgrift,
Zoo net nog luchtvervloten droómen,
De schimmen en fantomen
Van ridders en van edelvrouwen
Die van de rijzge rossen schouwen
En raden niet hun nieuwe zichtbaarheid,
Maar trekken hunne wegen begeleid
Van
't zwerkgevolg waarin ontdauwen
Paleis- en vestingbouwen-
En geen van beiden weten wij van uur of tijd.


DE ZIENER



P.C. Boutens

Mijne oogen blindt: de ziel in mij is zat
Van uitzien op de dingen onvolboren;
In stilte dompelt de echo mijner ooren
Voor de' onrijpe' aanhef dezer ruchtge stad.

Al aanblik, al geluid dat in zich had
De kiemen tot Gods toekomst uitverkoren,
Liggen gezonken in de murwe voren,
Door lust geploegd en van leeds tranen nat.

De heemlen mijner oogen mogen zonnen
En reegnen over
't toebereide land
Waar Gods oneindig voorjaar is begonnen.

En straks gaat boven u, uitslaande brand,
Ziels leeuwerik in vlammenzang opdragen
De scheemring van uw juichen en uw klagen.


SINT JORIS



P.C. Boutens

Hier tot den rots-omscholden poel
Van werelds zoor verkankerd hart,
Binnen dit leven en zijn luiden joel
Van drukken lediggang in nood verstard:
Hoe naakt gij, uit der helden sterrenriem
Gebroken, als een oudverjongde droom,
Slaapruiter Joris, en boort speels den priem
Gena-gelaten en plichtmatig sloom
In de pestspuwend opgesperde kaak
Van den onsterfelijk verwonden -draak?


OVERGAVE



P.C. Boutens

Hoe kwaamt gij doorgebroken?
Ben ik in
't eind niet meer dan dit:
Dit wezen eenzaam in zich zelf beloken
Tot uw gereed bezit-?

Hordde ik mij niet in wallen en kanteelen
Door vindingvaardige onrust uitgebouwd
In
't hart der parken en hun doolpriëelen
Van bloemen en,van schaduwhout-?

Lag niet het land gegord in woestenijen
Door versten droom niet afgezocht,
Die steilden uit alomme zeeëspreien
Met nooit éen veilige ankerbocht-?

Stonden de vaste sterren niet en de planeten
Als mijn voorposten uitgezet
Over de oneindge hemelsche gemeten
In nimmer sluimerend verzet-?

En diende 't alles maar om de anderen te weren
Tot nu, nu het te komen u gevalt,
Uit wiens verkoren mond in fluisterkeeren
Het onvoorziene wachtwoord valt?


LEVENSDANS



P.C. Boutens

Waartoe anders liet ons de aarde van zich los?
Al de' onrust-gevangen bladeren van 't bosch
Wordt de vrije vlucht pas met den dood gegeven-
Maar wij dansen voor het leven.

Niet naar onrust, maar naar rust,
Naar bewegings onbewogenheid belust,
Wisselen wij stand aan stand
In hun doelvermeesterend verband.

Lijf-en-ziels vergodlijkt evenwicht
Staat een oogopslag gesticht
Op den kolktop midden in den ring
Van de zoete duizeling.

Want van binnen lijft de maatslag van het bloed
Onzen darden sterfelijken voet
In bij de' eeuwgen ommezwaai van moeder aard
Rond den laaien levenshaard.


CHRISTUS-GELAAT



P.C. Boutens

Op dit gelaat bestierf het leven niet
Tot rust van overwinnings zekerheid.
't Kan niet ontkomen naar den dood; het lijdt,
Of
't bloedleêg hart nog krampt en bloed vergiet.

Gevangen in den schemer van den tijd,
Zijn oog door zijn geloken leden ziet
Van eindloos leed het wintersche verschiet;
En niet éen lichtsein dat den kerker splijt.

Alleen het hout schoot wortelen, en zwelt
Om 't uitgeteerde lijf zijn laf geweld,
En rond de slapen bloeit de doornenkroon.

Let hem niet met uw meêlijs ruwen hoon,
En raak niet aan de stekels en de pinnen
Die van elk snoeien nieuwen wasdom winnen.


KUSSEN



P.C. Boutens

O kussen waarin lust naar liefde reikt,
En liefde in alvergeten lust bezwijkt,
Geen oogen kunnen open u beleven:
Zij zwijken neêr in meêbegeven
Naar blinden glans van duizend verre zonnen
Uit haren dooven gloed bezonnen
En dan tot blanken melkweg opgeheven:
Lichtbrug die bindt van leven ons naar leven;
Want elke kus blijft lichtgedacht,
En alle nieuwe kus brengt zienden nacht.


DRIELUIK



P.C. Boutens

In 't brandpunt van den lagen ommegang
Der gelijkvloerschen die hun éendagszijn
Gekortwiekt sleepen door de kuddedriften,
Nooit hooger stijgend dan het bed der wieg,
Nooit dieper zink end dan het bed van 't graf,-
Rijst uit den krater van afgrondsche gracht
Naar het gewolkte dat zijn top omwaast,
De padelooze bergwand van geluk,
Veste voortdurend door veel duizenden
In eenzame' aanslag op vereend beleid
Belaagd, bestookt, belegerd en berend:
Juichen dringt op door klagen en gekreun
Met hoon en tarten, en de wanhoop snerpt
Van al die nederstorten. Onderwijl
Omspant een regenboog van oogenlicht
De helling van weêrskanten, een fonteinstraal
Omhooggestuwd tot in de nevelkruin,
En weêr verdruppelend aan de overzij
In luistermilden regen. Zoetverzwegen
Als die inkeeren in hun voorbestemd
Tehuis, zoo stijgen schoone wezens op
In jonge wegwijze aandrift doelverblind,
En wijlen boven in de heimenis
Waar aarde en hemel in elkander raakt,
En dalen weêr, tot aldoorlichte ziendheid
Volwassen, af in reien of gepaard,
Doch geen komt eenzaam van de reis terug.


VERBI DIVINI INSPIRATIO



P.C. Boutens

Zoo raakt een dauw drop of een rozeblad,
Een zaligheidbelovende oogenstraal
Den diepen spiegel in de zieleschaal
En tinkelt wat-
En aanstonds eensgestemd ontroert de zee,
De winden huiveren denzelfden toon
Wiens echo natrilt door de zuivre woon
Van aller stilt en rustbezonken steê,
En afgrond roept de weêrgevonden wijs
N aar wederwoord uit afgronds peis,
En heel de oneindigheid breekt in den schal
Van ingelouterder geluiden val,
En beurt en wiegt en volt en steunt de klem
Van die eenzame stem,
En aldoor verder en verloorner welt de bron,
En niemand weet meer hoe het lied begon-
Zoo zingt de ziel.


DE SCHOONE SCHIJN



P.C. Boutens

Uit de benauwing onzer nederlaag,
Van uit de diepte van de' aanvaarden doem
Om weg te welke' in niets verwezenlijkt
Dan in onze eigen ontoereikendheid,
Uit de moeheid na opstand en verzet
Dat onrecht maar verkeerde in nieuw onrecht,
Diep uit de machtloos rijke zekerheid
Van onzen bloei die weêr tot slijk verweert,
Uit doodverhelderde aandacht die beseft
Dat er geen andre weg tot uitkomst blijft
Dan de zelfoffrende eerlijke overreding
Naar Schoonheids opbloei en haar komend rijk:
Als laatste zuiverst witte kelken in
De grauwe lichting van den stillen herfst
Dragen wij dank aan levens schoonen schijn
Die aldoor voor ziels naaktheid hield bereid
Het telkens weêr vernieuwde wisselkleed,
En bidden als uitersten zegen af
Den glimlach die der ziel in 't sterven blijv',
Om aan hem deel te hebben tot het laatst.

Boutens-Konijnenburg  Boutens-Konijnenburg 
Willem A. van Konijnenburg 'De Zonnewagen'
krijt en potlood op papier 993 x 692 mm
Willem A. van Konijnenburg 'Kraanvogels'
krijt op papier 900 x 900 mm

Willem Adriaan van Konijnenburg (1863-1943)
De strijd tussen materie en geest - Het kunstenaarschap van Willem van Konijnenburg
Recent (2008) is het schilderij ‘Sint Joris’(1916) van Willem van Konijnenburg aangekocht voor het Museum Catharijneconvent te Utrecht. Het is een cruciaal werk in het oeuvre van deze bekende Haagse meester, die bij zijn dood in 1943 herdacht werd als ‘een onzer grootste schilders’. Toch raakte hij na de Tweede Wereldoorlog in de vergetelheid, mede door de opkomst van de abstract-expressionistische schilderkunst. Deze wilde manier van schilderen leek ver af te staan van de gedisciplineerde, verfijnde dandy Van Konijnenburg. Toch kende ook hij zijn wilde jonge jaren.
Beginjaren
Willem Adriaan van Konijnenburg (1863-1943) kreeg zijn eerste tekenlessen van zijn moeder en daarna van J.C.d’Arnaud Gerkens (1882-1884) aan de Haagse Academie. Aanvankelijk werkte Van Konijnenburg in de trant van de destijds populaire Haagse School en de School van Barbizon. Hij schilderde, naast figuren en portretten, voornamelijk landschappen in Limburg, waar de familie van zijn moeder een landgoed had. In dit werk is weinig te herkennen van de schilder die later beroemd zou worden met zijn strak gecomponeerde symbolistische voorstellingen. Deze Limburgse landschappen zijn los opgezet met forse penseelstreken in een rijke variatie aan okers en grijstinten. In 1894 kwam een einde aan deze ‘Limburgse periode’. Toen vestigde hij zich definitief in Den Haag.
Den Haag
Van Konijnenburg nam actief deel aan het Haagse kunstleven. Vanaf 1890 was hij lid van Pulchri Studio en vier jaar later werd hij lid van de Haagsche Kunstkring. Zijn entrée aldaar ging niet onopgemerkt voorbij. Nadat hij eerder op De Kring ruzie had gekregen omdat hij de sociëteit had bezocht zonder lid te zijn, trachtte hij er later opnieuw, maar nu als ‘dame’ vermomd, binnen te komen. Paul Rink heeft van deze uitdossing nog een fraaie tekening gemaakt. Niemand zal toen vermoed hebben dat deze relschopper het ooit nog eens tot erelid van deze Haagsche Kunstkring zou brengen.
Karikaturen
Van Konijnenburg was een veelzijdig kunstenaar. Naast schilderijen ontwierp hij postzegels, glas-in-loodramen, affiches en wandtapijten, maar aan het einde van de negentiende eeuw waren bij het grote publiek vooral zijn karikaturen bekend. Van 1895 tot 1897 tekende hij spotprenten voor De Kroniek en van 1896 tot 1901 tevens voor De Nederlandse Spectator. Kenmerkend voor deze tekeningen is het gebruik van lange golvende lijnen tegen een egaal witte achtergrond, zoals goed te zien is in de tijdloze spotprent uit De Kroniek van 6 oktober 1895, gericht tegen ‘De Kiesdwang’. Arceringen ontbreken hierin geheel; het lijkt zo uit de losse pols te zijn getekend.
Gestileerd symbolisme
In de Haagsche Kunstkring kwam Van Konijnenburg onder andere in aanraking met leeftijdgenoten als Simon Moulijn (1866-1948), Henricus (Hendricus Jansen, 1867-1921), Johan Thorn Prikker (1868-1932) en de iets oudere Jan Toorop (1858-1928), allen op dat moment werkend in een min of meer symbolistische trant. Ook het werk van Van Konijnenburg ontwikkelde zich vanaf die tijd in de richting van het symbolisme en zijn vormgeving onderging een weloverwogen stilering. Hij nam een mathematische ordening als de basis van alle schoonheid in de kunst. Zijn schilderkunst werd streng van lijn en ritmisch van verdeling. In verschillende van zijn olieverfschetsen die bewaard zijn gebleven is goed het strakke raster van potloodlijnen te zien van waaruit Van Konijnenburg zijn composities nauwgezet opbouwde. Ook in het eerder genoemde schilderij voorstellende ‘Sint Joris’ is dit duidelijk terug te vinden. Het schilderij is met horizontale, verticale en diagonale lijnen exact vanuit het midden opgebouwd.
Ruiters en jagers
Het onderwerp van dit schilderij, de ridder te paard die de draak verslaat, symbool van de strijd tussen Goed en Kwaad, werkte Van Konijnenburg vanaf 1907 meerdere keren uit in diverse schilderijen. Ook verschillende van zijn andere werken uit deze periode hebben het thema van de ruiter of van de jacht tot onderwerp. Talrijk zijn bijvoorbeeld zijn tekeningen waarin een jager een jachthond in toom houdt. Maar zijn hoogtepunt binnen dit thema bereikte Van Konijnenburg toch met deze ‘Sint Joris’uit 1916. In dat jaar verscheen tevens zijn boek, getiteld ‘De Aesthetische Idee’, waarin hij zijn ideeën over de beeldende kunst als strijd tussen materie en geest verwoordde. Interessant, omdat de theoretische achtergrond van dit schilderij er zich in weerspiegeld, maar lastig leesbaar. En eerlijk gezegd was Van Konijnenburg ook geen groot schrijver; hij was een groot schilder.

Boutens-Konijnenburg
Willem A. van Konijnenburg 'De Herder' ca. 1922 90 x 105