Claus-Appel

Zij 3

Hugo Claus

Naakter raakt nooit zover dat ik je naakt
niet verder raak met mijn blik.

Daar wentel je je bekken open
en je krinkelt, scheurt en slaat
met onvaste voet een heksenschoot,
mijn zomernaakt, mijn
dolzinnig wild, mijn bikkelnaakt

Geef jij over aan het voer der mensen?
Je eet als een pelikaan,
je braakt als een haai.

Geef ij je over? Steeds breek je in mij binnen,
met modder en mahoniehouten ringen die
krols in mijn kop komen zingen,
naakt, mijn brompony, mijn prikkelpop.

Geducht bordurend borend bereik je mij
als naakt je kamhaar splijt.
De wind met kuren in het koren
is ons reikhalzend minnen, en

naakter nooit zover, mijn kinds koningin
met je buik van pimpelmees
dan als ik je versplinter en beploeg met deze vingers.