Claus-Jordaens

(Oude meesters)

Hugo Claus

Voor zoveel vlees zonder grenzen glimlacht het meisje in het Museum
als een jonge non in de zon.
Zoveel overdaad is geen mens;
de mens, dat heeft zij tijdens Zedenleer genoeg geleerd,
is een zoogdier, dat wel, maar deze vrouwen,
deze oeverloze golf vlezen kweeperen (bruidsvruchten bij uitstek)? Neen,
het meisje lacht. Zij, klemt "Avenue" tegen haar borsten,
twee lichtgebakken eieren met veel onvast wit.

Heeft zij dan eendere weefsels?
Zal in een zelfde overgave haar gebeente ooit smelten
in dergelijke smerige, weeïge gezwellen?

Als deze kwabben godinnen zijn,
dan is het leven iets dat stikt in saus en dril
met uiers en klissen,
iets dat wurgt door omhelzing.

Het meisje lacht. Voor haar part mag kuisheid over liefde triomferen
en over kuisheid de dood.
De vulva deificata is een andere koopwaarde,
anders in haar aangebracht,
een gefluister eerder in een lentenacht.