Decker-Rembrandt-04
Rembrandt van Rijn 'Aristoteles peinzend bij een borstbeeld van Homerus'

Danck-bewys aen den uitnemenden en wijt-beroemden Rembrandt van Rijn

Jeremias de Decker

Quas dicere rates,
Quas referre parem?


Soo grootsch was voormaels 't hert des grooten Alexanders,
Dat niemand hem vermocht
Te malen als Apell; Apell en niemand anders
Heeft hij hier toe gezocht.
Sijn' trotsheyd liet niet toe, dat mindere pencelen
Sulcx zouden onderstaen.
'k En voel wel in mijn' borst soo trotsen geest niet spelen,
Soo grootsch een hert niet slaen:
En niettemin 't gevalt ('k en wilder niet om jocken)
't Vernoegt my wonder wel,
Op 't vlak penneel te sien mijn wesen nagetrocken
Van onzes tijds Apell:
En dat niet om wat loons daer uit te mogen spinnen,
Maer louterlijcks uyt gunst,
Uyt eenen eed'len trek tot onse Zanggodinnen,
Uyt liefde tot de kunst.
O die nu met die kunst uw' Kunste kon betalen
In plaetze van met goud,
En u soo meesterlijk op mijn' papieren malen,
Als ghy my trockt op hout!
'k En zou wel uw gelaet, Heer Rembrant, niet vertoogen,
Maer uwen ab'len geest
En aerdige handeling afmalen voor elks oogen,
Spijt nijt, dat booze beest.

Maer boven mijnen leest soo hoog te willen sweven,
Waer voor my vol gevaer:
Dat werk vereyscht een' geest in Schilderkunst bedreven,
Een Mander of Vasaer.
En uw' beroemden naem wat roems te gaen bejagen
Door rijm of regeltrant,
Waer water in de zee, waer hout in 't woud gedragen,
En sand gevoert op strand.
Gelyk voor puyk van Wiojn geen' krans en hoef te hangen
Van klim-op altijd groen;
Soo heeft uw puyk-penceel geen' vreemde lofgezangen,
Geen pen-getoy van doen.
Dat braef penceel en hoeft na niemands lof te vragen;
't Is door sich self vermaerd,
En heeft zijns Meesters naem misschien soo wijd gedragen;
Als 't vrye Neêrland vaert.
Sijn' kunst-faem over 't spits der Alpen heen gevlogen
Tot in 't roemruchtigh Room,
Doet selfs Italiën staen sien als opgetoogen
Aen zijnen Tyberstroom.
Daer doet 'et duyzenden de vlagge voor hem strijken;
Daer mag 't zijn streken vrij,
By die van Raphaël en Angelo verlijken,
Ja streeftse bei verby.
Derhalven wer 't, van rhyn, een al te kenlijk teeken
Van roekloos beckeneel
Door rijm-pen of gedicht den roem te willen queken
Van uw beroemd penceel.

Sulcx dat ick voor althans niet anders weet te toonen
Als slechts wat dank-bewijs,
Voorwaer om uwe gunste en kunste te beloonen
Een' al te slechten prijs.
Wel, heb dan drymael dankj voor uwe gifte en gunste,
En neem dit kort gedicht
Slechts voor een teken aen van dat ik aen uw' kunste
My eeuwig acht verplicht.

Decker-Rembrandt-04
Rembrandt van Rijn 'Homerus'