Deel-Looy-01 
Jacobus van Looy (1855-1930) 'Augustus: Oostindische kers'

(niet het schilderij Jac. van Looy, De Tuin als bedoeld in dit gedicht afb. nog niet gevonden, dit schilderij staat wel afgebeeld op de bundel van T. van Deel 'Boven de koude steen'en bevind zich in het Frans hals Museum te Haarlem)

Jac. van Looy, De Tuin (ca. 1893)

T. van Deel

Eerst ingezaaid de tuin hij had
en afgewacht hoe het zou worden,
pas toen het groen de grond bekroop
en overal bedekte en ook het roodoranje
ging gloeien rijk verspreid,
toen greep hij het penseel, een wedren
met de tijd en snel rankende groei,
om heel die woekering van kleurig
licht nieuw uit te zaaien op zijn doek.
Vandaag, nog steeds, bloeit deze tuin,
'een brok uit de natuur gesneden'.

Deel-Looy-01 Deel-Looy-01
Jacobus van Looy 'Oranjefeest' Jacobus van Looy 'Hartjesdag'
Deel-Looy-01 Deel-Looy-01
Jacobus van Looy 'Hagewinde' Jacobus van Looy 'Roze bloemen'

Behalve schilderen, dichte Jac. van Looy soms ook over zijn of de tuin

Eerste sneeuw in de tuin

Jacobus van Looy

Verhelderd ligt en overal omzwacht,
En tinteljong en toch zo eindloos oud,
Dat ‘t bijna angstig maakt en onvertrouwd
Dit daaglijks plekje nu in winterdracht.
Gedekt zijn alle sporen, kalm en zacht,
En alle onwillige en stutten boud,
Met vertjes blank als bijenvlerkjes koud,
Belegen werden uit de hemelnacht.
Van ‘t hart uit wit tot de einden als de dromen,
Die, woord na woord, uit dichters neergekomen,
Zich levend schikten in het stilst der nachten;
Zo ligt de tuin gestrekt nu in het heden;
Wie zal er zetten komen de eerste schreden?
Anders dan mussen die hun kruimkens wachten.

Deel-Looy-01 Deel-Looy-01
Jacobus van Looy 'Zelfportret in blauwe schilderskiel' Jacobus van Looy Portret van Frederik van Eeden 1884

Jac. van Looy [Haarlem 1855 -1930] was een zoon van een timmerman/aannemer. Na een trieste jeugd in het Haarlemse Burgerweeshuis en een opleiding tot letterzetter en huis- en rijtuigschilder, werd hij in de gelegenheid gesteld tekenonderricht te volgen, eerst aan de avondschool, daarna aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. De Prix de Rome die hij in 1884 kreeg, stelde hem in staat te reizen, vooral in zuidelijke landen (Italië, Spanje, Marokko), waar hij inspiratie opdeed.
Onder invloed van Kloos c.s., kreeg Van Looy ook belangstelling voor de literatuur. Hoewel schilders- en schrijverstalent bij hem harmonisch samengingen en hij een gewaardeerd schilder en graficus was, maakte hij vooral naam als woordkunstenaar.

Van Looy behoorde niet tot de oprichters van De Nieuwe Gids - van wie hem overigens ook zijn bescheiden aard en afkomst onderscheidden -, maar in menig opzicht kan hij een vertegenwoordiger van de kunst der Tachtigers genoemd. In hun tijdschrift publiceerde hij een aantal van zijn belangrijkste teksten. Van Looy manifesteerde zich daarin als realistisch beschrijver van het Hollandse binnenhuis van ambachtslui en kleine burgers en als impressionistisch schilder van exotische kleurenweelde. Voor het sombere pessimisme van de naturalisten behoedden hem zijn vreugde over de schoonheid van natuur en zijn liefde voor de mens. Fantasie speelt een hoofdrol in ‘De wonderlijke avonturen van Zebedeus’, een knap geschreven, originele, grillig gecomponeerde verzameling beschouwingen, verhalen, gedichten, waarin hij ironisch zijn oordeel uitspreekt over tijdgenoten en eigentijdse toestanden en stromingen.

Zijn autobiografische werken Jaapje (1917), Jaap (1923) en Jacob (1930), waarin hij zijn jeugd in het weeshuis en zijn jaren als handwerksman uitbeeldde, bestaan uit reeksen taferelen; van observatie van de uiterlijke werkelijkheid is de nadruk verlegd naar het innerlijke leven. Vooral in het eerste en populairste boek Jaapje slaagt Van Looy erin de kinderziel genuanceerd uit te beelden.

Van Looy is een van de belangrijkste auteurs van het Nederlands impressionistisch proza: zijn werk is de neerslag van een voortdurend, met alle zintuigen aandachtig opnemen van de realiteit, steeds bezield van intens medeleven, van een grote beeldkracht, persoonlijk van techniek, krachtig en vrij van mooischrijverij.

Poëzie van Jacobus van Looy:
De ar (1920)
Gedichten 1884-1925 (1932)

Deel-Looy-01 
Jacobus van Looy (1855-1930) 'Zomerweelde (ca. 1900)'