Dewulf-Bonnard-01

De Blauwzieke badkamer

Bernard Dewulf

Il faut que la peinture serve à autre chose
qu’ à la peinture
(Henri Matisse)

Litanie van Marthe Bonnard

1

Ik lig in het water, blauwgroen water niet
zomaar te baden. In water ben ik

omdat ik daar besta. Zie mijn meisjesheupen
bloeien onder water. En zie mij uit het water,
daar weeg ik als een vrouw.
Uit het water wieg ik niet van mij vandaan.
Ik drijf mij van mij weg – een bleke maan
uit de gravitatie van het lichaam.
Ik lig in het water, blauwgroen water. Denk niet,
denk niet dat ik maar wat lig te baden.
Ik zal in water blijven tot het water
in mij binnengat. Tot het mij is. En ik haar.
Tot ik denk als water.

2

zeg mij wat is mijn kleur.
Hij schildert mij bont en blauw
tot mijn vlees hem staat.

Als ding vorm ik een vrouw.
Ik hou het licht op en ik zwijg.

Soms moet ik zingen. Dan slaat zijn penseel
aan het dansen, sta ik wankelend
een opaak naakt
op rode, doorzichtige hakken
in een draaiende, blauwzieke badkamer.

Zeg mij wat is mijn kleur.
Hij schildert mij geel en grijs,
een kanarie in dood licht.
Zie, de vrouwvriendelijke verf
aan zijn klauw.
Hij aait mij als een prooi.

Geel is de blos van zijn rouw.
Hij feest en treurt om het licht
op mijn levende, wijkende lichaam.
Hij doorziet al mijn kleurrijke lijk.

3

Genade komt later. Nu moet hij kijken.
Daarom laat hij mij te water.
Het licht zal mij breken.

Hoe ik lig – schijnbaar een reine Venus in rust.
Het is een list.
In zijn wijwater drijft een bleke vis.

Ik dobber voor dood op zijn hand.

Dan trekt hij mij uit bad.
Mijn lichaam schuift van rooflust open.
Wie nu zegt de mooie kat is nat van romantiek.
Ik bek in zijn blik als een zwijn.

Achter zijn bril val ik uiteen.
Toch slijt hij mij nog als een vrouw.
Voor de blinde is het genade.
Maar de schilder
veegt mij in hoeken en kanten samen
aan het oppervlak van zijn doek.

4

Het leven moet wendbaar zijn als licht.
Daarom draai ik dagelijks
mijn onhemelse lichaam om en om,
vanaf de eerste vroegte
weg van mijn onschilderbaar gewicht.

Na een dag van wentelingen
in zijn groots en leugenachtig heelal
kruip ik krom in bed.
Daar nog, draait hij mij om en om.

En aan de gapende wastafel al
valt het licht weer aan.
Ik ga in de spreidstand staan,
de stand van zijn zon.

Hij glijdt in zijn baan om mij
en ach, hoe is het licht
weer wendbaar vandaag
in zijn andere, schilderachtige leven.

5

Zijn goddelijk licht.
In de badkamer waar ik overleefde
wrong hij het als een dweil over mij uit.

Pas op mijn tweede vel,
zijn heilige schrift van katoen,
kleurde hij het bij.
Nu nog, na tachtig jaar kurkdroge tijd,
schiet er violet uit mijn lijf.

Ik sta buigzaam te boek,
lijfeigen als het licht zelf.
Hoe zag hij dat graag.
Hoe bleef hij niet van mij af
met de hoge tonen van zijn handen
in de tegenwoordigheid van mijn vlees.

Dagelijks hing hij het aan de haak
van een heldere ochtend.
en zag erop toe
dat het nooit meer verging.
Als een dagelijkse, dienstplichtig ding.

6

Het laatste bad heeft zijn blik afgeweekt.
Ik lig op een zucht van zijn ogen,
een veilig nachtdier uit zijn zicht.

Hij heeft zich als een mol in mij verzet.
Hoe stekeblind hij ademt nu,
onvermijdelijk uit zijn zelfportret.
Soms schiet hij als een schaduwbokser wakker,
op zoek naar het eerste gezicht.

Zo is hij mij het liefst, geblinddoekt
door het donker. Geen licht om naar te slaan.
Geen lichaam in constructie.
Zijn adem en het glimhout van de maan.

Tot de klaarte ben ik nog zijn vrouw,
een huisdier naast hem uit zijn zicht.
Zodra het licht in de kamer komt
en vraagt om zijn hand,
vouw ik mij in onze lakens om.

Van vrouw naar vorm.

7

 Ik lig in water, lijkbleek water.
Op de oever, in het strijklicht van ons theater,
zit mijn schilder.

Hij tekent mij af in het klad
van de dag. Later verkleurt hij mij als een ijsvis

in een wak

Wat hij ziet doet zich niet voor
dan in herinnering aan nu. Nu wemelt voorbij
tot in het schilderij.

Zoals ik drijf, een vloeiblad voor het licht,
zou het altijd moeten zijn.
Zie hem zitten, hemelhoog boven mij,

een potlood als een ijspik bij de hand,
vast aan mijn oppervlak
te wachten op dat ene dunne ogenblik.

Litanie van Marthe Bonnard

1

I lie in water, blue-green water not
just bathing. I’m in water
as that’s where I exist. See my girlish hips
bloom under water. See me out of the water,
where my weight is a woman’s.
Out of the water I don’t sway from myself.
I float myself from me – a pale moon
from the body’s gravitation.
I lie in water, blue-green water. Don’t think,
don’t think what I’m doing is just bathing.
I will stay in water till the water
enters into me. Till it is me. And I it.
Until I think like water.

2

Tell me what’s my colour.
He paints me black and blue
until my flesh suits him.

As a thing I form a woman.
I absorb the light and I am silent.

Sometimes I have to sing. His brush then
starts to dance and I stand staggering
an opaque nude
on red, transparent heels
in a whirling, blue-sick bathroom.

Tell me what’s my colour.
He paints me yellow and grey,
a canary in dead light.
See, the women-friendly paint
on his claw.
He strokes me like I’m prey.

Yellow’s the blush of his grief.
He parties and mourns the light
on my living, parting body.
He soon sees through my colourful corpse.

7

I lie in water, water pale as death.
Sitting on the bank, in our theatre’s slanting light,
my painter.

He outlines me in the draft
of the day. Later he discolours me like ice fish
in a hole.

What he sees occurs nowhere
but in memory of the present. The now swarms past
into the painting.

The way I float, a blotter to the light,
is how it should remain forever.
See him sit, sky-high above me,

a pencil like an ice pick close at hand,
already waiting at my surface
for that one thin moment. 

 

© Translation: 2010, Willem Groenewegen

 

zie ook gedicht Carver Bonnard
en de KunstKolom over
Pierre Bonnard
Dewulf-Bonnard-01 Dewulf-Bonnard-01
Dewulf-Bonnard-01 Dewulf-Bonnard-01
Dewulf-Bonnard-01 Dewulf-Bonnard-01
Dewulf-Bonnard-01 Dewulf-Bonnard-01
Dewulf-Bonnard-01 Dewulf-Bonnard-01