George-Rembrandt
Rembrandt van Rijn 'David zingt voor Saul'

Koning en harpist

Stefan George


Harpist:

Zoals voor je gelaat je de mantel trok
Ontwaardde ik dat je een traan verborg
En een, Heer, mij niet welgezind teken.
Ook wanneer je heden met je dienaar niet spreekt:
Op hem kun je niet razend zijn die je beval
Met zijn gezang niet meer van je te wijken...
Dus morde je ondankbare volk weer eens?
Bedreigen de trotse priesters je? Nu weet ik 't:
De jaloerse God misgunde je de overwinning.

Koning:

Omdat je me in mijn schande hebt bespied
Luister naar wat je niet baat: meer dan de vijanden
Die je hebt genoemd en die ik allen doorsta
Verwoest mij omwille van de liefde: jij zelf.
Nu draag ook jij het deel voor eenieder onaantastbaar:
Degeen ik niet wil missen en degeen ik haat
En die niet weet hoezeer hij mij gif toedient.
Mijn zwaard mijn schild, waaraan vreselijke sappen
Nog kleven, beroer je dat het je klettert.
In het water gooi je dat het danst en krult,
Wapens zoals ik ze voor mijn noodlot verkoos.
De vruchten van mijn akkers - ziedende last
Van de lange zomer - schut je achteloos af
En verfrist met één je voldane mond
Voor jou komen mijn koortsrillingen 's nachts van pas
Om ze in tonen en ruisen te laten vervagen.
Mijn grootse gedachten waarop ik teer
Verpletter je in de lucht als kleurige zeepbellen
En smelt mijn verheven koningssmart
Om tot ijdele klanken door je verdorven spel.

George-Rembrandt
Rembrandt van Rijn 'David zingt voor Saul'