Harmsen Van Der Beek-Vos
Peter Vos 'Fritzi ten Harmsen van der Beek'

Onduidelijke correspondentie
en de nadelige gevolgen, in twee verzen


Fritzi ten Harmsen van der Beek

I

Geachte Muizenpoot,

Hoe gaat het met U, met mij goed. Wel is alles heel
vervelend, als ik voorover lig gebed in mijn gedachten

aan U en ben ik ook heel eenzaam. En onderga de lente
als een flauwte. Dit is mij nu zo vaak al overkomen dat

ik er de klad van in mijn wezen heb en dat tussen het
afgerukte vlees der hyacinten de verplegers van die

bloemen knielen voor vreemdelingen. (Dit heb ik zelf gezien
vanuit de trein naar Haarlem.) Zoiets zondigs en krank-

zinnigs U te schrijven, maar omdat lente en liefde een
aberratie is – en niet omgekeerd – opdat U daar niet in

zal trappen, in een vreemd land en zo eenzaam te dwalen.
(Bepalend voor het lot van zwervelingen enkel herkomst.)

Nu met mijn hart gaat het wel betr, maar de tuin is
verwoest mijn lam, verwoest. En sta ik radeloos onder

onzuiver groen in dit en komende seizoenen: mijn hoofd
en hatens toe, mijn hout tot bladeren bedorven en

schrijven wij pas mei. Dat hebt U er nu van, mij
’s winters te beminnen en ’s zomers te dwingen onder

raar lover humorloos en onchinees te wezen, mij, lief
hebbend evenwichtig als een oude man, genegenheid bed-

weterig doen zien ontaarden in het teer, vraatzuchtig
zeuren der libelle-achtige dames, want ik weet mijn plek.

Een teer punt. Een voordeel zo te zien, maar wezenlijker
reden om over in te zitten dan de onbenulligheden die

van onderhonden het gedachtenleven leidt tot in priëlen
van zelfbeklag: zulk lijden slecht gemotiveerd maar zinvol,

want wie, wie vreet mijn spijt? Neem dan de bomen maar, die
bloeiend blind tot vaderloos afvallige vruchten, bederf en

winterkou: en nooit een klacht! Want tot verstommens toe is
liefde hun te moede. Te moede is. Liefde mij te moede, is

liefde mij … etc.

(handtekening onleesbaar)

II

Honderd jaar

later, door het opperwezen in een boom herschapen,
(nakend in een tropisch oerwoud aan de grond gezet,

voor straf nu bloeiend onophoudelijk, bevrucht on-
slapend en onpratend zonder enkele omhelzing), vond

de vroegere mevrouw O. in haar onmetelijke toppen een
dagboekblaadje, onherkenbaar ook veranderd in zo’n onheil

spellende vlinder die Morpho heet, waarop met grote
moeite zij herlas: ‘Vrijdag 9-8-63, iets kan de plek

niet van iets anders innemen en identiteit bestaat dus
niet. Denk aan de schijnbaar vele bladeren.’ Terzelfder

tijd, daar waar haar stam zich vorkte voor het eerst
vanaf de grond, zat een nog onaanzienlijker insekt dat

wegens zijn voorheen geringere verdienste van onverzonden
briefje door de schepper slechts bevorderd was tot

machteloze mate van vliesvleugeligheid. Op hem viel al
sinds jaren niets te lezen, maar, uit het hoofd geleerd,

sprak hij onafgebroken en van generatie op generatie: ‘O
Muizenpoot, ik wil je kopen of ruilen, laten we weglopen

naar waar de rivier in zee stroomt en de mensen een
andere taal spreken en andere waterdieren eten. O enz ….’

Zo namen letterlijk bezit van haar die zonder hand of
mond, haar zo verfomfaaide gedachten. Toen begonnen

haar bladeren te verbleken en te vallen als zwakke vlinders,
als pakken gedevalueerd bankpapier, tot op de humus van

bedoelingloze wildernis. Toen werd zij, later, omgehakt, haar
nervig, brandschoon hout verhandeld en nog vindt men wel,
bij sommige betergesitueerde planeetbewoners, van haar
glanzendheid de zachte schim, een soort gepolitoerde vlam

aan buitenzijden van reusachtige televisie ontvangapparaten,
opgesteld in die volstrekt behangloze, bacterievrije

zitvertrekken, waar geen kevers wonen.


Harmsen Van Der Beek-Vos  Harmsen Van Der Beek-Vos 

Athena Noctua, droge naald ets

De gedaanteverwisseling van Ascalaphus, litho
Harmsen Van Der Beek-Vos  Harmsen Van Der Beek-Vos 

De gedaanteverwisseling van Tereus, litho

Kippen, pen en penseel
Harmsen Van Der Beek-Vos  Harmsen Van Der Beek-Vos 

Leda en de zwaan, pen en penseel

Plinius met uilengeboorte, litho

Remco Campert 'antwoorde' het volgende:

F. Harmsen van Beek

Remco Campert

Je komt dus niet, er is iets
waardoor je niet komen kunt -

ik neem aan er is een diertje dood,
het behoeft begraving

of de hak van je pump
zit vast in de plank,

het struikgewas is te hoog gegroeid,
het vuilnis opgestapeld:

hoe ook de knappe telegrambesteller,
boerenzoon met werk bij het rijk,

zwoegt en ploetert,
hij komt er niet doorheen

met zijn ijlboodschap:
dring aan op aanwezigheid!

Ben je het dak op gevlucht?
Lees je een boek in een kast?

Er was altijd wat, weet ik nog goed.
Een stap vooruit bleek,

vraag niet hoe het kan,
ook een stap naar achter en opzij -

de meest beweeglijke pas op de plaats
die ik ooit heb meegedanst.

Tot in de donkere ochtend
ik de balzaal verliet,

op zoek naar hardere muziek
en een voetspoor van mezelf.

Als een onbrandbaar moment,
eeuwig als bevroren film,

herinner ik me
hoe je, fonkelend van sieraad

en verwilderde opmaak,
grootogig de trap op kwam van het theater

aan de hand van de nu verdronken schilder,
die je tanden verzorgde dat het blonk -

mooie generatie, vol van
in de tijd verzonken gelijk.

 

Uit: Remco Campert ‘Collega’s’ (1986)
Dit gedicht is, in een iets andere versie, ook verschenen onder de titel ‘Brief die is blijven liggen’ in de bundel ‘Scènes in Hotel Morandi’ (1983)

Harmsen, Campert en Vos.
Op het Boekenbal van 1954 ontmoette Fritzi Harmsen van Beek de dichter Remco Campert, die vrijwel direct bij haar introk. Het stel trouwde kort daarna. Jagtlust groeide uit tot een ontmoetingsplaats van de zogenaamde Leidsepleinscene, een bonte verzameling van Amsterdamse dichters, schrijvers, journalisten, acteurs en schilders, zoals Simon Vinkenoog, Theo Sontrop, Ed van der Elsken, Rijk de Gooyer, Cees Nooteboom en Gerard Reve. Tijdens de bijeenkomsten stond niet zo zeer de artistieke creativiteit centraal, maar men kwam naar Blaricum om te drinken, te vrijen, te slapen en op het dak in de zon te zitten. Harmsen van Beek had op dat moment nog niet gepubliceerd, maar haar rol als gastvrouw in de villa zorgde ervoor dat ze in beperkte kring steeds bekender werd. De bundel ‘Alle Dagen Feest’ van Campert is gebaseerd op het leven in Jagtlust. Tirade was in 1958 het eerste tijdschrift dat een gedicht van Harmsen van Beek plaatste.
Het huwelijk met Campert liep in 1957 op de klippen. Daarna volgde een lange reeks 'verloofden', onder wie Peter Vos.

In 1965 maakte ze haar debuut met de dichtbundel ‘Geachte Muizenpoot en andere gedichten’. Haar faam was haar dankzij publicaties in tijdschriften al vooruitgesneld, zo had Hugo Claus haar voor haar debuut al eens "de beste hedendaagse dichter" genoemd. In de jaren daaropvolgend publiceerde ze zowel verhalen als gedichten. Ook maakte ze subtiele, minutieuze tekeningen, die onder andere in Vrij Nederland gepubliceerd werden.

Villa Jaglust was dankzij de bemoeienis van ambtenaar Reindert Marsman, de vader van J. Bernlef, aangekocht door de gemeente Amsterdam. Harmsen van Beek was als huismeester aangesteld. Het was echter niet meer de ontmoetingsplek van weleer: de vrienden van voorheen bleven weg en het huis vervuilde mede door de vele honden en katten die er rondliepen. In 1971 berichtte de gemeente Amsterdam dat Jagtlust ontruimd moest worden. Een aantal bevriende schrijvers en uitgevers legden daarop geld bijeen, waarmee voor Harmsen van Beek een woning in het Groninger dorp Garnwerd werd gekocht, ver weg van de verlokkingen en het bohemienleven in de Randstad.

Hoewel ze nog publiceerde en incidenteel een optreden verzorgde, leefde Harmsen van Beek in Garnwerd een teruggetrokken leven. In 1975 ontving ze de Van der Hoogtprijs en in 1994 de A. Roland Holst-Penning. Ze had een jarenlange relatie met de schilder Matthijs Röling. Ze overleed op 4 april 2009.