Francisco Goya 'De hond' 1820-1823

Goya als hond

Stefan Hertmans

 Het leek een dag waarop de eindtijd aangekondigd werd;
Saturnus die, kinderen etend in de extase van zijn eigen
vlees, zijn tijd begreep, ook als dat er niet meteen toe deed.

Maar dan – de schilder is net opgestaan en in de straten
stijgt de vette geur van gebakken calamares op -
schrikt hij van wat hij weet, en ziet een hondenkop verschijnen
boven de oceaanverblauwing van Bordeaux,
drijvend in oestersap.

Hij is alleen; ruis op de zwak doorkomende signalen
van herinnering. Een oude dikkerd speelt gitaar in
een donkere winkel, in een straatje achteraf,
een afgedankte minnaar met een jongensziel.
Vingers als worst, glimmend en afgeknaagd,
en de beweging van zijn borstkas is amechtig
terwijl de engel bij het voetenbankje knielt
en zich de slanke vingers bijt -
een hand die maagden streelt
maar niet weet wat ze speelt.
Los Madrilenos, het blinkend koren van het ruisend kaf.

De schilder blaft naar de verschijning van zijn eigen Zelf -
iets wat zijn hand heeft aangericht,
onttrokken aan het vroegere naïeve vergezicht.

Het is maar verf – gedroogde aarde,
gruis en het vermalend ritme
van de vijzel, de patina van
wat ik zie als ik hem zie -
maar het weekt, als lang door spuug bevochtigd eiwit
in het miasma van het doek,
de dingen los die ik me zelf herinner:
de oude engel in de winkel, en ik die voor mijn
lief – dat wist ik toen nog niet – mijn handen in de
houding van een lang vergeten pose wring terwijl iemand
bij de naamloos wachtenden, in de kronkelrijen op
De trappen van het Prado, zingt.

We verdrinken in het heden en de adem schiet tekort.

(Wie in het donker van de Laatste Zaal is aanbeland,
en ziet wat daar in de onwerkelijk
verwrongen smoelen al te lezen is -
die kan zichzelf in deze spiegel misschien vinden:
speculaties, eindtijd, gorgelen van hellehonden in
de hese blaf van een verloren kooikershondje, zwemmen
in tegenstroom, gekleurd door wondvocht, ijl syndroom.
De jongen in de rij is zingend tot de grote poort gevorderd,
hij zoekt koortsachtig in de ruime zakken van
zijn regenjas naar zijn verfrommeld kunstenarenpasje).

Ik woonde in een laag huis in de vlakte, wolken ver
onder de gulden snede ingedaald, en reikte met mijn
vingertoppen naar de zwartberookte zoldering -
een door zelfmedelijden uitgeholde knaap,
het type dat, verzinkend in glacis, nog hier en daar
de kijker ergert met zijn pijnlijk precieuze prinsenziel
in de sublieme leegte van portretten.
Ik had een hond die graag in de door vloed omstuwde
kanaaltjes in de polders zwom, een beest dat
’s winters op de einder sliep. En ik liep met hem op,
verloor hem uit het door de lucht
verpletterd vergezicht.

Maar nu de jongen zingend in de zwarte zaal
is ingedaald, steekt daar de onooglijke Cerberus
de snuit omhoog en alles jankt hem tegen.
Zijn kleine kop steekt, met de afhangende oren,
net boven de opklimmende waterlijn -
of is het drijfzand dat hem schrijnt.
De poten scharrelen onzichtbaar in de
Opgebrachte verf en maken diep sporen;
de ogen zijn op iets daarboven,
in het oker van een laatste oordeel afgericht.

Goya, verzuipend als een hond – de tijd is tegen hem
en dit portret jankt, piept en blaft en zwemt zoals de
honden zwemmen met hun veel te korte poten.

(De leraar in de zwemles, lang geleden,
die hem toebijt dat hij zakt voor dit examen
want ‘Gij zwemt gelijk een Hond, mijn kind,
gij deugt niet voor de wereld’, terwijl de chloor
hem in de ogen bijt) -

Goya tuurt naar een tafereel waarin de vormen
diep verzonken liggen. Likt aan het somber goud
van zijn penseel.

De toegang tot dit zwart Elysium, zo wordt het omgeroepen,
is gratis op de Dag des heren, de Heffe kan naar binnen.
Alleen wie nog dit oud talent voor het verzuipen kent,
dringt in de kolken van het linnen
waarin de hond steeds weer verzinkt.

Het is niet erg; terrassen tooien zich, achter de grote boulevards,
met het ironisch schouwspel van decolletés, het rinkelen van ijs
in cocktails en de wereldwijze commentaren van een ingestudeerde lach.

Men heeft het beestje van zijn wand gekrabd,
behendig zijn de poten van de kleine meesters.

Het is goed toeven op de lauwe pleinen
waar iemand met dikke vingers nog duende speelt
en lachend in zijn tegenbeeld een ander inktvis bakt.
O het gevoelig vlees van Spaanse engelen.

Komt, Gij die verzuipt, de stroom kan nog elk
ogenblik zijn loop van voren af, en even hevig,
gaan beginnen. De jongen blijft tot sluitingstijd
daarbinnen, in de Laatste Zaal, vergeet zijn lief,
zijn kleine kwaal, en als hij in het avondlicht
weer buitenkomt is daar Madrid, het wolken van
vervuilde ozon op de lanen, slordig zoals het
leven altijd is geweest, het Glockenspiel, de
zijden jurken bij de inkom van het Ritz.

Hij ziet een jonge vrouw met hond,
zijn tong hangt uit zij mond.
Hij groet de wederkeer
van het gevreesde Beest.

Hertmans-Goya
Francisco Goya