Immerzeeljr-Rembrandt
Rembrandt van Rijn 'Ahasverus, Haman and Esther' 1660

Rembrandts voorspoedige reis

J. Immerzeel jr.


Toen Rembrandt nog op 's vaders molen
Te schildren zat,
Bleef daar de glorie van zijn gaven
Niet onder 't stuivend meel begraven,
maar blonk en klonk van stad tot stad.

Reeds kwam er soms een steêman azen,
Die kunst verkocht,
En uit zijn gouden schilderproeven
Gerande rijders wist te schroeven,
Die menigeen met opgeld zocht.

Wie van die twee de varkens scheerde,
hoeft niet gemeld;
Maar Rembrandt was 't niet onverschillig,
Wat prijs hem voor een kunst, zoo willig,
Nu langer t'huis werd toegeteld.

Hij had ter goeder uur vernomen,
Hoe, in den Haag,
Een Edelman voor 't schoone blaakte,
Het waar genot des rijkdoms smaakte,
Verliefd op kunst, in 't koopen graag.

Wat licht is hem, bij 't winst bereeknen,
Nu opgegaan!
Hij wil niet langer zitten wachten
Naar klanten, die zoo karig bragten,
Maar trekt zijn stoute schoenen aan.

De sabbathsrok met wijde mouwen
Wordt uitgeklopt;
De breede das wordt omgeslagen;
En vader leent, met welbehagen,
Den wandelstok, met goud geknopt.

Zijn moeder vult zijn ruime zakken
Met spek en brood,
Al moest hij voor ontelbre dagen
Een bedevaart naar Mekka wagen,
Ter prooi, welligt, aan hongersnood.

Een kunsttafreel in d'arm genomen,
Trekt Rembrandt voort,
En keert den Kouderkerkschen molen,
Vol moed, zijn welbeslagen zolen,
En naakt en wint de Leydsche poort.

Daar ligt de schuit! - Maar zou hij varen?
De vracht is hoog!
En mag hij ook op slaging hopen,
Het best ontwerp kan tegen loopen:
Zoo menig wien de hoop bedroog!

Zijn zuinigheid behaalt viktorie
Op 't reisgemak;
Want wellust is 't hem, dat de schrijven
Nu ongewisseld mogen blijven,
En lieflijk ramm'len in zijn' zak.

Hij wandelt voort en smult bij poozen
Van 't proviand,
En wet zich 't brein in 't overleggen
Wat hij den Edelman zal zeggen,
En buigt het lijf, en zwaait de hand.

Daar stapt hij de verblijfplaats binnen
Van 't Vorstelijk Hof!
Nu ras in 't spiegelgals ekeken,
Den breeden knevel opgestreken,
En zich ontdaan van 't wandelstof.

Nog eenmaal de aanspraak uitgepreveld,
Die sierlijk zwelt;
Het laatste stofje weggeschuijerd,
En toen naar 't Buitenhof gekuijerd,
En zacht, naauw hoorbaar, aangescheld!

Men opent, laat den schilder binnen,
En de Edelman
In 't prachtig zijvertrek verschenen,
Roert Rembrandt armen, lenden, beenen,
En hals, en tong, zoo goed hij kan.

En hinkte de aanspraak, bij 't verschijnen,
Wat lam van voet,
En ging er 't sieraad van verloren,
het lijden van des huisheers ooren
Werd dubbel hem door 't oog vergoed.

Het blijft, verbaasd, op 't kunstwerk staren,
Dat Rembrandt toont,
En 't is in 't gloeijendst zielverrukken,
dat hij met honderd guldenstukken,
Des jonglings arbeid rijklijk loont.

Den schilder klopt het hart van wellust
Bij zulk een' schat!
Het zilver rolt zijn zakken binnen;
Hij dankt, met opgetogen zinnen,
En spoedt zich voort uit huis en stad.

De hand die wint, zoo wil men zeggen,
Is veelal mild;
En andren, die 't ligt beter vatten,
Beweren, dat de dorst naar schatten,
Nooit door verwerving wordt gestild.

Hoe 't zij, de borst had nu in 't wandlen
Maar gansch geen' zin.
De trekschuit dan...? naar elks vermoeden -
Neen! die zou nog te traag zich spoeden; -
Hij klautert zacht de postkoets in.

Hier plant hij zich op 't achterbankje,
Gelukkig leêg!
En spreidt, bevreesd voor spie en roover,
de handen beî zijn zakken over,
Opdat zijn schat zich niet beweeg'.

Zoo roerloos en als vastgenageld,
Een beeld gelijk,
Zit Rembrandt in den bolderwagen;
En wat zijn amkkers kouten, vragen,
Hij geeft mar naauwelijks levensblijk.

't Gezelschap, aan den Dijl genaderd,
Stapt even uit;
En zou hij graag een fluitje leêgen,
Hij druft de handen niet bewegen,
Die schildwacht houden op zijn' buit.

Door dorst en ongeduld gemarteld,
Laat hij een' zucht,
En hoe de paarden dien begrepen,
Hangt nog in twijfel, maar zij slepen
Nu 't rijdtuig henen, snel ter vlugt.

Zij hollen, als door honderd zweepen
In ren gespoord;
En 't angstig gillen van den schilder
Maakt de arme dieren nog al wilder,
En jaagt hen nog al sneller voort.

En erg toch meenden 't niet de beesten
In dit geval:
't Was maar, omdat zij halverwegen
Wat kaf en hooi voor haver kregen,
En hongrig snakten naar den stal.

Misschien ook had wel, symphathetisch,
Het ongeduld
Van Rembrandt zoo hun 't hart bekropen,
Dat dus door vliegen, meer dan loopen,
Zijn heimlijk wenschen werd vervuld.

Althans zij zetten, zeer gedienstig,
Hem, heel van huid,
Met zijnen schat, voor 't posthuis neder,
En Rembrandt krijgt den adem weder,
En kruipt bedaard den wagen uit.

Men komt van allen kant geloopen,
En vraagt en gaapt;
Maar Rembrandt pakt zich van den wagen
Eer iemand soms de vracht komt vragen,
Of erger! hem zijn' buit ontkaapt.

Terug in de ouderlijke woning,
Toont hij zijn' schat;
En 't scheen dat wel het meest hem bolde,
Dat hij zoo pijlsnel huiswaarts rolde,
En nog de vracht gewonnen had!

Immerzeeljr-Rembrandt
Rembrandt van Rijn 'Hendrickje Stoffels' (Louvre - Parijs)