Jellema-Hoogstraten
Samuel van Hoogstraten 'Zelfportret' ca. 1650

Van Hoogstraten Zelfportret

C.O. Jellema

Dragen van zijn tekening nagels rouw?
De toren die hij droomt. Bij voorbaat brak,
onder hun zeldzaam glanzend oppervlak,
de grond al door waarop hij bouwen wou

toen hij opkeek. ’t Ontwerp reeds onder dak
met spits en trans – weerhield even een vouw
in het papier hem van een onderbouw?
Omdat fundering zijn droom tegensprak?

Tekortkoming. Niet zijn schuld dat de grond
geschilderd is. Wie ouder werd, hem ziet:
ogen vol schaduw, vingernagels glans,

voorspelt voltooiing die zijn jonge mond
versmallen zal: die toren komt er niet.
Maar ’t kunststuk: hij ziet ons aan van zijn trans.

Jellema-Hoogstraten

Samuel van Hoogstraten 'Zelfportret' ca. 1645

Samuel van Hoogstraten
Dordrecht 1627 – 1678 Dordrecht
Zelfportret
Olieverf op doek, 102 x 79 cm. Ca. 1650
Hermitage, Leningrad

Van Hoogstraten was in de jaren veertig leerling van Rembrandt; hij verbleef omstreeks 1650 in Wenen en Rome en ging begin jaren zestig naar Londen. Hij heeft als schilder een groot aantal verschillende genres beoefend, waaronder portretten en interieurscènes, maar is vooral bekend geworden door zijn ‘Inleyding tot de Hooge Schoole der Schilderkonst’,  gepubliceerd in 1678, dat verhandelingen bevat over de schilders van zijn tijd.
Dit portret stond indertijd bekend als een portret van Ferdinand Bol, ook een leerling van Rembrandt. In de jaren zestig werd het geïdentificeerd als een zelfportret van Samuel van Hoogstraten.
Het gedicht dat Jellema hierover schreef – het tweede uit de reeks ‘Hermitage’- is, net als het vorige, bepaald beter te begrijpen met de afbeelding er naast. Evenals in ‘Fyt fecit’ en ‘De kettinghond’ licht hij een niet eens kenmerkend detail uit het schilderij en neemt dat als uitgangspunt van het gedicht. Hier zijn het de glanzende nagels van de jeugdige tekenaar, in ‘Fyt fecit’ waren het papegaai en poezenoog en in ‘De kettinghond’ de signatuur op het hondenhok. In een kunstig sonnet (de rouw dragende nagels;  het dubbelzinnige ‘tekortkoming’; het spel met de paradox van iets, in dit geval een toren, wat getekend wordt maar geschilderd is) laat de dichter zien, dat de droom op een andere manier werkelijkheid wordt dan de tekenaar verwacht had.

Deze kleine sonnettenreeks getiteld ‘Hermitage’ bestaat voorts uit de gedichten ‘Fyt fecit’ en ‘De kettinghond’.