Kemp-Rembrandt

Het Rood van het Joodse Bruidje

Pierre Kemp

Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief,
van toen ik het zag voor het eerst
en ik nog niet begreep,
welk een verkering ik die dag begon.
Ik kwam er ook op dagen zonder zon,
of dat haar licht zich even maar verhief
en vloeide weg in een wankele streep,
dan zocht ik de nuance, die het teerst
en toch nooit diep genoeg
mij lang te blijven vroeg.
Ik zag het Bruidje met de linkerhand
piano spelen op de rechter - van
haar door de tijd bedeesde man
en ik werd niet jaloers. Dat was hún band.
Ik kwam niet door hun minne-schikking treden,
het is mij om het Rood van haar kleed en
anders niets te doen,
ook niet om de entourage in goudig-groen.
Alleen díe kleur zien als een kleur van heden,
of Rembrandt naast mij er mee speelde
binnen de bronzen van de achtergrond
en welke kleuren hij er nog penseelde,
er toch die kleur voor alle tijden vond.
Ontstond zij met of zonder schilderstok,
het is zijn Rood, waarin hij zong Bruidjes rok;
het is mijn Rood, rondom haar rechterhand,
neen, geen juwelen, franjes of kant,
het is maar rood. Het Rood, dat ik aanbid,
vooral als ik in de zon naast Rembrandt zit.

Kemp schreef zijn gedicht in september 1955; het verscheen voor het eerst in het Rembrandt-jaar 1956 in de vierde aflevering van 'Vandaag', een onregelmatig bij Bruna te Utrecht verschijnend literair jaarboek waarin nieuw werk van Nederlandse, Vlaamse en Zuid-Afrikaanse schrijvers werd bijeengebracht. Daarin gaf hij ook de volgende 'Toelichting bij Het rood van het Joodse Bruidje': 'Bij mijn eerste bezoek aan het Rijksmuseum, tijdens mijn verblijf in Amsterdam, werd ik bijzonder getroffen door Rembrandts 'Joodse Bruidje'. Ik kwam er zo herhaaldelijk voor terug en bleef er zo vertoeven, tot een suppoost argwaan scheen te krijgen en blijkbaar bevreesd werd, dat ik het doek uit de lijst zou snijden, zodra ik er de kans toe zag. Hij stelde zelfs belang in mijn identiteit en moest zich daarover wel zekerheid hebben verschaft, want naderhand liet hij mij ongemoeid bewonderen zoveel ik wilde, al meende ik in den vervolge een medelijdend glimlachje bij hem waar te nemen.'
Dat bezoek aan het Rijksmuseum waarbij Kemp 'het Rood van 't Joodse Bruidje (…) zag voor het eerst'en – net als de hoofdpersoon in Hoorniks 'Mattheus' (LINK) bijna een kwart eeuw later – de achterdocht van de suppoosten wekt, vond plaats omstreeks 1913. Enkele maecenassen hadden toen het jeugdige Maastrichtse dubbeltalent in de gelegenheid gesteld zich in Amsterdam een jaar lang in de schilderkunst te bekwamen.

 

zie ook: 
Rembrandt - Aafjes,
Rembrandt - Baeke, Rembrandt - Balkt, Rembrandt - Barnas, Rembrandt - Bernlef, Rembrandt - Boeken, Rembrandt - Brabander, Rembrandt - Brassinga, Rembrandt - Bruinja, Rembrandt - Claus,
Rembrandt - Decker, Rembrandt - Emmens, Rembrandt - Enquist, Rembrandt - Gerhardt, Rembrandt - Gerlach, Rembrandt - Harmens, Rembrandt - Herzberg, Rembrandt - Hofman, Rembrandt - Kemp, Rembrandt - Knibbe, Rembrandt - Kopland, Rembrandt - Meekers,Rembrandt - Menkveld, Rembrandt - Moeyaert, Rembrandt - Schiferli,Rembrandt - Schulte-Nordholt, Rembrandt - Soepboer, Rembrandt - Spinoy, Rembrandt - Tentije,
Rembrandt - Vestdijk, Rembrandt - Vestdijk02,
Rembrandt - Vestdijk03 Rembrandt - Wissen.

Gedichtencyclus Rembrandt en de Engelen

Over Pierre Kemp dicht Simon Vestdijk:

[Pierre Kemp]

Simon Vestdijk

Dichter van blauw en rood
De felle kleuren leven
Zooals gij hun geboodt.

De kleuren alle zeven
Hebben onder uw hand
Hun hartebloed gegeven.

Alleen het paars hield stand.
Het wou alleen maar treuren,
Als zwaarte op het land,

Een wolk om nooit te scheuren,
En aarz'ling in 't penseel.
Toch kan ons niets gebeuren:

Kemp trok een rand van geel.