Komrij-Leyden
Lucas van Leyden Drieluik met het Laatste Oordeel 1526/ 7

Muiterij

Gerrit Komrij

De engel die ik had is op de loop.
Wie mij beschermde huist niet meer in mij.
Er drijft een ijsschots in mijn biotoop.
De leegte schrijnt. Het voelt als muiterij.

De engel die mij koesterde is zoek.
Ik liep een blauwtje. Ik ben gehalveerd.
Hij sneed een lap weg uit het hemeldoek
En is hem naar een nieuw heelal gesmeerd.

Wat rest een halve man, een voddenbaal,
Een metgezel van vriesvak en verval?
Wat rest hem als zijn engel hem verlaat?

Er rest een stinkend hok waarin men blaat,
De mensenhel, bekend als tranendal,
Een aarde voor de gier en voor de aal.

Komrij-Leyden
Lucas van Leyden Drieluik met het Laatste Oordeel 1526/ 7 - midden paneel -

Gisteren op de kop af twee jaar geleden, op 15 augustus 2010, schreef ik dit gedicht. Ik herinner me de datum precies, want op die dag zag ik het schilderij Het laatste oordeel van Lucas van Leyden, en Onno Blom had een aantal dichters gevraagd een gedicht bij dat schilderij te schrijven. Schilderijen of andere kunstwerken als onderwerp van een gedicht, dat is een oud, geliefd en uitgebreid poëziegenre. ’t Is ook altijd spannend te zien hoe dichters dat aanpakken, vooral als ze het met een kluitje bij elkaar over één en hetzelfde kunstwerk hebben. Een groot aantal houdt het bij ‘een praatje bij een plaatje’, anderen beschrijven minutieus het een of andere detail, weer anderen slaan aan het associëren en natuurlijk is er ook altijd weer het origineeltje bij dat het ineens over iets heel anders gaat hebben en bij wie je vergeefs naar een spoor van het kunstwerk zoekt. Hoe dan ook, het blijven gelegenheidsgedichten. Of de aanleiding nu een verjaardag is, een schilderij, een theepot of God, alle gedichten zijn gelegenheidsgedichten. Je probeert alleen de gelegenheid te abstraheren, naar een ander plan te tillen (hoger of lager) of te verdoezelen. Ergens op Het laatste oordeel van Lucas van Leyden, in een uitmiddelpuntige hoek, zie je een engel die een hand op de bil van een schone jongeling legt. De engel kwam me bekend voor. Ik ben mijn bewaarengel kwijt, dacht ik, hij is uit mij weggevaren om te kiezen voor de jeugd. Ik dacht aan wat er na zijn vertrek was achtergebleven. Welbeschouwd was het gedicht er eerder dan de gelegenheid.


(Gerrit Komrij)

Komrij-Leyden
Lucas van Leyden Drieluik met het Laatste Oordeel 1526/ 7 - detail linker binnenluik -