Krog-Dumas

III Scraffito
(uit de bundel ‘Kleur komt nooit alleen’ van Antjie Krog

)

Schilderijsonnetten e.a.

Skiderysonnette e.a.

 

1. The loneliness of Skin

Antjie Krog

je laat mij voorop lopen, maar blijft zelf opzij staan
legt je vingers lichtjes op mijn rug waardoor
mijn zomerschouders langs je revers schuren
mijn wervels lopen uit in licht

Zonder g
êne rusten je ogen op mijn armen
van die natte zwarte ogen heb jij die nooit knipperen – nuchter
glijden ze bij mijn borsten naar binnen
ik wordt er losjes, lieflijk, lichter van

als wij rechtstreeks de slagader bereikt
zakt je mond zwaar open om het glas
subiet wordt mijn lijf totaalorgaan

later als gezwollen wond door jouw onderarm
tegen de muur gekneld – ontploft mijn ganse skelet
en barst voorbij de witte versperring van mijn huid

1. The loneliness of Skin

Antjie Krog

jy laat my voor loop, maar bly self skuins staan
sit jou vingers liggies op my rug sodat
my somerskouers verby jou lapelle skuur
my werwels loop uit in lig

skaamteloos kom l
ê jou oë op my arms
sulke nat Swart o
ë het jy wat nooit knip nie – nugter
gly dit my borste binne
ek word daarvan litterig, lieflik, ligter

as wyn direk die slagaar gier
sak jou mond swaar oop om die glas
subiet word my lyf totaal orgaan

later as geswolle wond deur jou voorarm
teen die muur geknel – ontplof my ganse skelet
en bars verby die wit versperring van vel

Krog-Dumas

Walter Battiss 'Girls on a Seashore'

2. kimo en kuuipo (Walter Battiss, 1976)

Antjie Krog

man
welige tong
van wellust heult mijn hart
hou mij

vlek mijn roestblauwe romp tot dij
geil trilt mijn lijf met stembanden voluit tegen je borst

man die mij vasthoudt alsof hij kut omsluit

drachtig ben ik jou
smulpaap van mijn uitgang en mijn ingang
smak mijn gezwollen oorholten schoon

mijn buik bulkt in het stilste herfstlicht
rondom staan de bomen in lichterlaaie

jij weidt
en beweidt

Onze bekkens slaan als geweien tegen elkaar
je billen kneukelen wit
je smeert naar buiten
je smijt bij mij naar binnen
man massale man
om wie ik inkom
die in mijn nek om dier en goden gilt

als bij zinnen kom:
bloed gebeten uit je wang
Krog-Dumas Krog-Dumas
Walter Battiss 'Girls Turning into a Woman' Walter Battiss 'Le Dejeuner' 

2. kimo en kuuipo (Walter Battiss, 1976)

Antjie Krog

man
welige tong
van wellus heul my hart
hou my

vlek my roesblou romp tot dy
geil tril my lyf met stembande uit teen jou bors

man wat my vashou asof hy moer omsluit

dragtig is ek van jou
smulpaap van my uitgang en my ingang
smak my geswolle oorholtes skoon

my buik bulk in die stilste herfslig
rondom staan die bome in ligte laaie

jy wei
en bewei

ons bekkens klap soos horings teen mekaar
jou boude kneukel wit
jy smeer na buite
jy smut my binne
man massale man
om wie ek inkom
wat in my nek na dier en god gil

toe ek tot my sinne kom:
uit jou wang het ek bloed gebyt

Krog-Dumas
Marlene Dumas 'The Image as Burden'

3. The Image as Burden (Marlene Dumas, 1993)

Antjie Krog

ik wacht op je na alles
wat mij tergt en schuilgaat in de nacht
om tot de jouwe gemaakt te worden
in jouw lichaam verder voort te ademen

Niemand mag zien hoe elegant wij van elkaar verschillend
weerloos geworpen is het verraad van huid
al vel en been om zwart op wit te vermijden
doe ik het licht uit. Vanuit de schaduw daagt ineens een man op
hij die ik liefheb
hij veroorzaakt mij
ik breng ons overeind

als hij voorzichtig de deur dichtdoet
ontbrandt een kamer in het donker

een hele nacht rusten we uit van tot op het bot genomen te zijn

onvoltooide compositie

er zit een rijstkorrel aan mijn kin
ik voel hem niet

dood begint van buiten af
van de buitenste huid af
dood begint bij de mond

teder en onopvallend veeg je hem af


Krog-Dumas
Marlene Dumas 'The Image as Burden'

3. The Image as Burden (Marlene Dumas, 1993)

Antjie Krog

ek wag op jou agter alles
wat skoor en skuilgaan in die nag
om joue gemaak te word om
in jou liggaam verder voort te asem

niemand mag sien hoe elegant ons verskil
weerloos geworpe is die verraad van vel
reeds vel en been om Swart op wit te vermy
site ek die lig af. Uit die skadu’s tap ’n man
die man wat ek liefhet
hy veroorsaak my
ek bring ons orent

as hy versigtig die deur sluit
ontbrand ’n kamer in die donker

nagdeur rus ons van velloos gehê wees uit

uncompleted composition

’n ryskorrel sit aan my ken
ek voel dit nie

dood begin van buite af
van die buitenste vel af
dood begin by die mond

teer en ongemerk vee jy dit af




(afbeelding nog niet gevonden)

4. Hierarchy (Marlene Dumas, 1991)

Antjie Krog

ik klim op je en verbeeld mij steels
een leven verder voort in jou
ik trek je donkere kop tussen mijn borsten in
om de kleur van je huid te vlekken tegen been

jij kneust een blauwe plonzende roos
tegen mijn nek                        ik breek jouw beenderen op de vloer
je hart slaat tegen het hout
als ik mijn vingers eruit trek zijn ze slijmerig

langzaam zuig je het merg eruit
terwijl ik blind op je rijd
en wij elkaar in handgemeen vinden
in een nacht van snikken en steunen wordt alles bevestigd:

ik ben geen vrouw voor overgave – tot zinnens toe
verrukt, ben ik een vrouw die wortelschiet

(afbeelding nog niet gevonden)

4. Hierarchy (Marlene Dumas, 1991)

Antjie Krog

ek klim op jou en gegin my steels verbeel
’n lewe verder voort in jou
ek pluk jou donker kop tussen my borste in
om die kleur van jou vel te vlek teen been

jy kneus ’n blou plonsende roos
teen my nek    ek breek jou beendere teen die vloer
jou hart kap-kap teen die hout
as ek my vingers uittrek is hulle slymerig

stadig suig jy die murg uit
terwyl ek blind op jou ry
en ons mekaar handgemeen vind
in ’n nag van snik en steun, word alles bevestig:

ek ’s nie ’n oorgawe vrou nie – tot die sinne toe
verruk, is ek vrou van wortelskiet

Krog-Dumas
Marlene Dumas 'Genetiese Heimwee'

5. Genetische Heimwee (Marlene Dumas, 1984)

Antjie Krog

je komt voor dood in mijn armen zitten vanochtend
ik ben zo moe ik haal nauwelijks adem
wat is beloofd door wie?
wat staat er in de kleine lettertjes van je lijf?
ons leven samen gaat zijn eigen verwoestende weg
jij bent onafhankelijk en volledig onbetrouwbaar
jij bent het zat om ondervraagd, bespied, beproefd
en verdacht te worden            het liegen zit me tot hier en ik maak duidelijk

dat ik er niks bij kan hebben ik wil voor niemand
iemand zijn     ik wil nergens bijhoren           ik wil
vrij vallen onmiddellijk en kleurloos als een steen

één ding heb ik geleerd
hoe meer ik jou vernietig
hoe meer ik zelf te gronde hink

Krog-Dumas
Marlene Dumas 'Genetiese Heimwee'

5. Genetische Heimwee (Marlene Dumas, 1984)

Antjie Krog

jy kom sit vanoggend soos die dood in my arms
ek is so moe gek haal skaars asem
wat is beloof deur wie?
wat staan in die fyn skrif van jou lyf?
ons lewe saam loop sy eie verwoestende pad
jy is onafhanklik en volledig onbetroubaar
jy is moeg om bevraagteken en bespied, getoets
en verdrink te word     ek is sat gelieg en verduidelik

ek wil niks hê nie        ek wil niks vir iemand
wees nie          ek wil nêrens hoort nie           ek wil
vry val meteens en kleurloos soos ’n klip

een ding het ek geleer
hoe meer ek jou vernietig
hoe meer hink ek self ten gronde

Krog-Dumas
Dumas Marlene 'Waiting for Meaning'

6. Waiting for Meaning (Marlene Dumas, 1988)

Antjie Krog

een vreemde minnaar doet je anders vasthouden
jij schouders puilen anders uit haar handpalmen
je borsten bundelen anders in zijn hals
omdat zij vreemd is, ben jij bevreemdend heel

en van jezelf ontdaan             wat zijn wij
oud geworden             hoe verkniesd tot kommer
hoe verspoeld in schuld en klier
mijn hart vlucht als een rat

ik denk aan jou en ik steek de winter over
ik denk aan jou en koude knettert aan mijn huid
droef    droef zo ver het hart kan zien

we hebben de jeugd uit onze haren geschud we kunnen
ons leven niet meer zogen      we veroorzaken elkaar
 : jij daar, ik hier – suf gebeukt tot stikkens toe verwurgd

Krog-Dumas
Dumas Marlene 'Waiting for Meaning'

6. Waiting for Meaning (Marlene Dumas, 1988)

Antjie Krog

’n vreemde lover laat jou anders vashou
jou skouers skil anders uit haar palms
jou borste bondel anders in sy nek
omdat sy vreemd is, is jy bevreemdend heel

en ontslae van jouself             hoe oud
het ons geword           hoe verknies tot kommer
hoe verspoel in skuld en klier
my hart vlug soos ’n rot

ek dink aan jou en ek steek die winter oor
ek dink aan jou en koue sweis aan my vel
droef    droef so ver die hart kan inkyk

ons het die jeug uit ons hare geskud   ons kan
ons lewe nie meer melk gee nie          ons veroorsaak mekaar
 : jy daar. Ek hier – voos gekneus en behoorlik strotomgedraai

Krog-Dumas
Marlene Dumas 'The particularity of nakedness' 1987

7. The Particularity of Nakedness (Marlene Dumas, 1987)

Antjie Krog

als ik jou ruik
wordt mijn adem harig
krijgt mijn stem kippenvel
je mond proeft naar pit voor je penetreert

je borst een en al nicotine
en honing        je blozende
bedonderde besneden penis
vouwt reukloos langs je dijen weg

in je koele scrotum mengt sperma
zich met accuzuur
de holte van je arm draait haar poes naar mij toe

maar je ligt zo zacht en weerloos uitgestrekt
dat ik voor het eerst sinds jaren
kan ademhalen in het blauwe van je nek

Krog-Dumas
Marlene Dumas 'The particularity of nakedness' 1987

7. The Particularity of Nakedness (Marlene Dumas, 1987)

Antjie Krog

as ek jou ruik
raak my asem harig
my stem kry hoendervel
jou mond proe na pit voor jy penetreer

jou bors die ene nikotien
en heuning      jou bloesemde
bedonnerde besnede penis
vou reukloos langs dye weg

in jou koel skrotum word sperm
met batterysuur opgemix
jou armholte draai haar poes na my

maar jy lê so sag en weerloos uitgestrek
dat ek vir die eerste keer in jare
kan asemhaal in die bloute van jou nek

8. de zee is een man

Antjie Krog

die meesmuilt als een man en moe is als een man
en morst als een man en macht heeft als een man en onophoudelijk
kermt als een man. De zee is een man
de afdruk van de vinger vormt groeven van licht over de baai

ze waaien op in witte kammetjes – eerst jongensachtig wit
dan bozer wit naarmate de golf steeds meer zichzelf
wordt – al hoe doorschijnender wordt in hard glasdun
groen. Dan geeft iets mee: geeft de branding zijn gereserveerdheid

prijs, kantelt het eerste snorretje water en dan
met een verblindend besef van eindigheid, klapt
het zuchtende water verwoestend over de baai -
in sissend diftong rolt de zee zijn giftige monoloog

schelpschroot bruist om mijn enkels – ik kijk om
naar jou, maar jij vermaakt je al met iemand anders

8. de zee is een man

Antjie Krog

met ’n man se meesmuil en ’n man se moeg
en sy mors en sy mag en sy aanhoudende
gekerm. Die see is ’n man
oor die baai maak sy vingerafdruk groewe en lig

wat wit kammetjies waai – eers seunsagtig wit
dan boser wit soos die golf al hoe meer homself
wordt – homself deurskynend word in harde glasdun
groen. Dan gee iets in: gee die branding sy ingehouenheid

prys, kantel die eerste snorretjie water en dan
met ’n verblindende besef van die einde, klap
die sug van water verwoestend oor die baai -
in sissende diftong rol die see sy giftige monoloog

skulpkroot bruis om my enkels – ek kyk om
na jou, maar jy lag alreeds met iemand anders

Krog-Dumas
Pablo Picasso 'The artist and his model' (no 313 of 347 ?)

9. The Artist and his Model (Pablo Picasso, No 313 of 347 Series)

Antjie Krog

a
de hoornige wrattige meester
draait zijn belegen belijnde gezicht
alsook de lege schone lijn van zijn gewaad
naar het weerspiegelend toneel daar op de divan:

de jongeman met het lege schone gezicht
haakt zijn barok belijnde pik in de vagina
van het model – het stulpende randje
van de labia vouwt zich preuts doch gewillig

vlak boven het sterretje van haar keurige
poepgaatje       twee harige gezichten koppelen zich
voor altijd voor de eeuwig starende meester
(dat vergeeft ze hem nooit – die teentjes zo

op een kluitje) maar hij is toch de Naaikoning
Hij draagt de kroon! Al hapert zijn fluitje

b
die jongeman met Rembrandts gevederde
baret op           hij draagt het gezicht der jeugd
zijn neus versmelt in haar mond
zijn pik staat altijd in neukstand

zijn smetteloze handen raken haar niet aan
hij houdt het bij penseel en bij palet
hij penetreert haar, en hij schildert haar
en zet haar tieten neer – ze spatten van het linnen

de oude man raakt langzaam buiten zinnen
en zou het liefst haar tepels willen grijpen
zijn zaad door haar rollebollende wulpsheid jagen

zij glimlacht lief: hij hoorde bij de deal – zijn oude lijf hangt kuis
zo ook dat van de etser, maar de geilaard naast haar
zal nog zien hoe lekker zij zijn roestvrije stainless steel-piel knakt

c
ze ziet het aankomen
de whisky’s worden donkerder
het ijs wordt minder
wangen gaan hangen

dan kondigt het zich aan
eerst kiften over onbenulligheden
een voorwendsel om stront te zoeken
toegeeflijk redelijk handelt ze ze af

dan komt zijn tweede zet
een donker schimpen  sombere cryptische frases
die zij herkent en uit schuldgevoel

pikt ze het
als verdienste na verraad
sussen voor lief nemen boetedoen schijt

d
ineens staat ze op om zogenaamd sla te gaan maken
ik loop achter haar aan – glas in de hand
waar ga je heen? ik ben nog niet klaar met schilderen
ze draait zich om – mes in de hand

alsof ik schrikken zou! behendig snedig pak ik mijn hele gegriefde
woordenschat op het keukenaanrecht uit      de zinnen worden leep
want ik ben een leperd en sluw en soms zelfs zeer gemeen
ik bedoel krijg nou wat – ik zeg wat ik wil zoals ik het wil

dat ben jij niet op het linnen, dat ben ik niet met het palet
ineens lijkt het alsof ze me niet meer aan wil kijken
tussen haar armen kotst ze voorover
in de kristallen slabak              ze braakt en braakt
wat er daarna uitkomt is geen substantie meer
maar walging – ik klop haar bemoedigend lichtjes op de schouder

e
ik wil alles voor je zijn             meestal ben ik niets
ik naaide je het liefst het hele huis door zodat je aan je loop kon zien
dat we daar niet vies van zijn hier      je bekken volop bevredigd
ik wil degene zijn bij wie jij spoort, die jou mogelijk maakt
ik wil de enige deur zijn waardoor jij binnenkomt en weer verdwijnt

maar ik wordt dagelijks uitverkocht en afgeraden
ik wordt mateloos almachteloos en platvernederd
bloedwoedend ben ik en diep agressief
ondermijnd wordt ik, gedumpt en nodeloos nutteloos
verdrongen en al jaren en jaren verdrietig vernietigd

peinzend ga je met je vinger door de broodkruimels
uit je borstzak steekt je laatste vliegticket
je glimlach gul met je schaterwit gekroonde kiezen
armzalige klootzak die je bent

f
eerst zwijgt ze lijdzaam tegen de hopeloosheid van dit alles in
terwijl zijn ogen haar leegzuigen verft hij rustig door
haar sleutelbeenderen van de weeromstuit dun en ijswit woedend
haar neus en snavel vol venijn

haar ogen killer dan de dood rusten op zijn begaafde hand buiten het doek
ik wil hieruit! ter wille van mijzelf hieruit
in nog een tekening legt hij haar vlucht dan vast:
kokhalzend van weerzin vecht ze tegen de optekening

van haar door hem      zet zij zich schrap tegen dit gedicteerd relaas
probeert zij te ontsnappen aan de prent         de frase te weerstaan
de metafoor te slim af te zijn eerder leeft iemand

door god vergeten, dan om enkel te bestaan
als ‘opgetekende’
naderhand doet hij het doek cadeau aan zijn nieuwe beminde

g
niets zo kwetsbaar als een oude man
de dood snuffelt aan zijn billen
zijn zachte halskwabben sterven van buitenaf af
zijn anus rafelt uit

en schuin boven zijn scrotum weet hij niet
vermoedt hij
hurkt de prostaat al boosaardig
de ballast hangt verlaten als een fabriek na werktijd

als hij overeind komt
kun je aan zijn gezicht zien dat hij verraden is
door zijn zacht kloppende buik          hij hurkt voorover

alsof in pijn     hij zondert zijn lichaam af
in de steek gelaten knoopt hij zijn gulp open
maar zijn hand aarzelt geen ogenblik met de kwast

onvoltooide compositie

de weg naar het hart
van mijn man
loopt door zijn pik


Krog-Dumas
Pablo Picasso 'The artist and his model' (no 313 of 347 ?)

9. The Artist and his Model (Pablo Picasso, No 313 of 347 Series)

Antjie Krog

a
die horingrige vratterige meester
draai sy beleë belynde gesig
asook die leë skoon lyn van sy kleed
na die reflekterende toneel op die divan:

die jong man met die leë skoon gesig
haak sy barok belynde piel in die vagina
van die model – die opgehewe rantjie
van die labia vou preuts, dog gewillig

net bakant die sterretjie van haar netjiese
poephol           twee harige gesigte koppel
vir altyd voor die ewig starende meester
(dit sal sy hom nooit vergewen ie – die toontjies

so bymekaar) maar hy is mos die Koning van Naai
Hy dra die kroon! Ja hy wil, maar hy kan nie self draai

b
die jong man dra Rembrandt se geveerde
beret    hy dra die gesig van die jeug
sy neus versmelt in haar mond
sy piel vir ewig aan ’t penetreer

sy smettelose hande raak haar nie aan nie
hy hou slegs kwas en palet
hy penetreer haar en hy skilder haar
en laat haar tiete na – hulle kantel all over the place

die ou man wil rasend word
hy wil haar tepels gryp
sy saad deur haar bondelende voluptousness jaag

sy glimlag lief: hy ’s mee gedeal – sy ou lyf hang kuis
so ook die geil mannetjie neffens haar
hy sal nog sien hoe lekker knak sy ’n roesvry stainless steel-piel

c
sy sien die aankom
die whiskies raak donkerder
die ys minder
die jowls sak uit

dan begin dit
eers ’n ligte geteef oor onbenullighede
’n voorwendsel om met haar kak te soek
toegeeflik redelik handel sy dit af

dan daag die tweede level
donker skimpe                        somber krpties frases
sy herken dit en uit skuldgevoel

Neem sy dit aan
as verdienste na verraad
reassure grasvreet boetedoening skyt

d
sy staan skielik op om kamma slaai te maak
ek stap agter haar aan – glas in die hand
waar gaan jy?  Ek ’s nie klaar geskilder nie
sy draai om – mes in die hand

asof ek skrik! behendig snedig pak ek my hele gegriefde
woordeskat op die kombuiscounter uit          die sinne raak slim
want ek is ’n slim man en slu en soms selfs gemeen
ek meen fokkit – ek sê net soos ek dit wil sê

dis nie jy op die doek nie, nie ek met die palet nie
sy lyk skielik asof sy my nie meer kan bekyk nie
tussen haar arms kots sy vooroor
in die kristalgesnyde slaaibak             sy braak en braak
wat later uitkom is nie meer substance nie
maar walg – ek klop haar bemoedigend liggies op die skouer

e
ek wil alles vir jou wees          ek is meestal niks
ek wil jou die huis deur naai sodat mens aan jou loop kan sien
daai ding word behoorlik gedoen hier                        die bekken stap versadig
ek wil die een wees by wie jy flankeer, wie jou moontlik maak
ek wil die enigste deur wees waar jy ooit binnekom en buitengaan

maar ek word daagliks uitverkoop en afgeraai
ek word mateloos almagteloos en platverneder
ek voel bloedwoedend en diep aggressief
ondergemyn, agtergelaat en nodeloos nutteloos
verdronge en a; vir jare verdrietig gevernietig

jy maak ongedagte tekeninkies in die broodkrummels
uit jou bo-sak steek die nuutste vliegkaartjie
jy glimlag gul met jou skatrwit gekroonde tande
jy ’s so ’ n arme soeslike drol

f
sy bly aanvanklik stil teen die hopeloosheid van dit alles
terwyl sy oë haar leegsuig verf hy rustig voort
haar sleutelbene raak daarvan meteens dun en yswit woedend
haar neus ’n snawel venyn

haar oë kouer as die dood rus op sy begaafde hand buite die doek
ek wil hier uit! ter wille van myself hier uit
in ’n ander tekening vang hy haar weghol vas:
kokhalsend van weersin veg sy teen die optekening

van haar deur hom      stoei sy teen die gedikteerde narratief
probeer die prent ontsnap       die frase weerstaan
die metafoor uitoorlê  eerder bleddie niemand

leef godvergeet, as om te bestaan
bloot as die ‘opgetekende’
hy gee agterna die skildery aan sy nuwe beminde present

g
niks is so vulnerable soos ’n ou man nie
aan sy boude snuffel die dood
sy sagte keelvelle sterf van buite-af af
sy anus rafel uit

en skuins bo die skrotum weet hy nie
vermoed hy
hurk die prostaat reeds boosaardig
die ballas hang verlate soos ’n na-uurse fabriek

as hy orent kom
kan jy aan sy gesig sien hy ’s  verraai
deur sy sag kloppende buik    hy hurk vooroor

asog in pyn      h y sluit sy liggaam af
in die steek gelaat pluk hy sy gulp op
maar sy hand huiwer nie ’n oomblik op die kwas nie

onvoltooide compositie

die pad na my man
se hart loop
deur sy piel

 

Krog-Dumas  Krog-Dumas 
Krog-Dumas  Krog-Dumas 
Krog-Dumas  Krog-Dumas 
Krog-Dumas 
Pablo Picasso 'De schilder en zijn model' 

Antjie Krog (1952) geldt in haar thuisland Zuid-Afrika als een van de prominente auteurs van deze tijd. Ook internationaal groeit haar betekenis. Kleur komt nooit alleen is de tweetalige uitgave van haar lovend ontvangen gedichtenbundel Kleur kom nooit alleen nie. Het is een even veelzijdige als organische bundel. Deze klankrijke gedichten gaan, zoals alle grote poëzie, over liefde en menselijke verhoudingen – maar weerspiegelen ook Krogs sterke maatschappelijke betrokkenheid bij het Zuid-Afrikaanse volk en landschap. Voor ‘kleuren’ is hier de sleutelrol weggelegd: kleuren van mensen, in en buiten Zuid-Afrika; kleuren van het land; kleuren van liefde en dood, oorlog en vrede.
Antjie Krog publiceerde sedert 1970 een toental gedichtenbundels en ontving hiervoor o.a. de Reina Prinsen-Geerligsprijs en de Hertzogprijs.

Deze bundel is het equivalent in poezie van de Toccata en Fuga van Bach, waarin alle registers opengaan. Dit is een van die weinige bundels waarvan ik kan zeggen dat ik na lezing ervan anders naar de wereld ben gaan kijken: met meer deernis, meer begrip en eindeloos meer vergeving. André Brink

Krog-Dumas
Marlene Dumas 'Het Kwaad Is Banaal zelfportret' 1984

dichter wordende

Antjie Krog


om op een ochtend wakker te worden in klank
met vocaal en klinker en diftong als voelspriet
om met aarzelende zorg de lichtste beroering
van licht en verlies in klank te ijken

om jezelf onmiddellijk geknield te vinden
boven de hoorbaar kloppende wand
van een woord – zoekend naar het precieze
ogenblik waarop een versregel volloopt in klank

wanneer de betekenis van een woord zwicht,
begint te glijden en zich eindelijk overgeeft aan geluid
van dat ogenblik af smacht het bloed naar de incantatie
van taal – de enige waarheid staat geveld in klank

de dichter dicht met haar tong
zij haalt adem – ja, diep uit haar oor

Krog-Dumas
Marlene Dumas 'Het Kwaad Is Banaal zelfportret' 1984

dichter wordende

Antjie Krog


om op ’n oggend wakker te word binne-in klank
met vokaal en klinker en diftong as voelspriet
om met aarselende sorg die effensste roerings
van lig en verlies in klank te kalibreer

om jouself meteens gekniel te vind
bo-oor die hoorbaar kloppende wand
van ’n woord – soekend na daardie presiese
moment wat ’n versreël volloop in klank
wanneer die betekenis van ’n woord swig,
begin gly en hom eindelik oorgee aan geluid
van dan af smag die bloed na die inkantasie
van taal – die enigste waarheid staan gevel in klank

die digter dig met haar tong
sy haal asem – ja, diep uit haar oor.


Krog-Dumas