Lucebert-Arp-03

Hans Arp 'Concretion Humaine'

ars arp

Lucebert


1

ik hoor een stem vanuit het graf:
‘der kaspar ist tot’
en verdomme da’s grof
meteen een strenge geest komt op mij af
legt eeuwig offers op voor straf
juist nu ik even lelijk als begeerlijk
moeder muze en nog meer schofferend
het ware hemelrijk betrad

zo oud en nog steeds bevleugeld
bij het stijgen en het dalen
springend uit de eene via beiden
op de schoot van daimon evenknie
en dat alles naar de wil en het genie
der genen en de vernuftige chemie

ben al met al een guitige schavuit
van adder en rat de ladderzatte spruit
door meer publiek dan gewenst geadoreerd
zelfs door geleerde gekken die gestudeerd
zijn in mij en die tot de navel aaiend af aan de aars
zowaar ontlokken een bloederig of winderig lied
dat is eens zingen zou of zong en ach – dat ik nu maar zing

een gekwelde kwartel de dove met rapsodentalent
een misdeelde rijkaard die men graag verwent
grootgrondbezitter van verboden gebied
dat het dwarskoppige volk vertrapt en schendt
want wat van liefde is luistert niet

2

bij de geschiedenis der dwergen
te vermelden dat boven brandenburg
het een weldaad was die regenboog
van tegen de zon pissende lilliputters
bij zoveel dorst naar ruezen

’du verabscheutest das leer glänzende
der theaterwunder’ je dacht even
je god te dekkoreren met opzienbarende beelden
maar het werden jeukende nietigheden
op een omnipotente rug
de tatoeage van een gedoogde mug

en is de schepper even afwezig
zijn gewicht is dan zeer licht en kurk
op een fles zo groot als een stuwmeer
waarin tempel of kruis vergeten
alsmede het knekelhuis vol afgeschoten tuig
maar waarin hij de opperlooier van de huig
tussen baldadig lallen of hoongelach
graag ‘matige extase’ vertolken mag
en dat mag hier of daar gapende wonden slaan
déze gapende wonde heeft nog lang geen slaap
hij blijft zo dorstig dat hij tegen heug en meug
zich lessend leert te zijn eigen zeug

3

ik ben de wachter die als van was was
maar u tegen alles opgewassen
het heelal heeft dichtgelakt
mijn denken kurkt en kroont de schepping
of is het andersom mij wekt
ontwaak! De bedwelmende ingenieur
die toeval aanbrengt tussen wet en willekeur

met wat bijslaap en likeur
stelt het leven niet teleur

en polsen mág maar handen áf van het hemelse
kot van de vette wulpse maar mantieke relmuis
protesten plante men als sierpalmen alleen
op het bordes van de eeuwigheid
waar heerst de kaskenade ook al schrijden in
schamelde gewaden de minnaars ingetogen
hij met padden als neuswarmers op de balzak
zij met als pleisters op de mond de maden
(een schrikkelijk gezicht maar schoon schilderij)
door straten beruchten schrijden zij en geen
heeft haren zat om die maandelijks per pond
via de egyptenaar te verkopen aan de non
maar er is wel in de kroes aan de lummel steeds
een stapel stront als gietspijs voor ’t gespierde
olympische brons en eeuwig te staan staren
over diepe dalen naar hoge bergen vanaf zijn balustrade

ware weelde al is het maar stront
gaat nooit per ons maar altijd per pond

4

in de kathedraal staat hij even stil
en knielt voor de onschuld schoon zijn
schunnig zwaard getrokken trilt en bidt:

geef de navel een ten hemel geheven oog
de buik – al is dat een onderdanig gezicht -
bergt onverhoopt uitzicht op verheven inzicht
zodat na drukkend prakkezeren en schrander
darmgekwaak van de slampamper en de schranser
men zelfs vanuit plat kikkerperspectief
de knoeiboel van baten en lasten overziet

zo’n onderneming tussen pleite en profijt
een kakkerlak het spoor bijster op een bakplaat
zij blijve paraat op het pad dat is bereid
tussen het onzekere heden en vergankelijkheid

5

‘der zufall befreit uns aus dem netze
der sinnlosigkeit’

verscheur van weerzin en waanzin het net
dat de ingeboren stijfheid nog beknelt
met geheven kop waadt het grijze beest
door de nevels van het vlakke nachtland

’in den stillen pausen
zwischen den stillen strophen der nacht
ertönt die stillste klage’

al kraakt kapot de laatste maquillage
niets deert je meer bij aankomt op
het met nepmarmer gemaskerde eindstation
waar kille onverschilligheid je diep raakt
zoals een snijdende wind je haast uitpakt

de stilste klacht als dát je nog rest
nog maar een schaduw van wat je eens scheen
op je onmetelijke muur van drek en mest
ga maar dan doorheen


Lucebert-Arp-03

Lucebert-Arp-03
Lucebert-Arp-03 Lucebert-Arp-03

Lucebert-Arp-03

Lucebert-Arp-03

Lucebert-Arp-03

Lucebert-Arp-03