Lucebert-Brands

eugène brands de schilder


Lucebert

I

ogen zeer dun dicht bij een lucht
die onbezwaard reuzenkinderen baart
als draken die grijsaards verbranden

hij weet dat van steeds schone tempels
de vloeren verduisterd door koudvochtigheid
en bevuild door een liefde een eeuwig onberoerde

hij schildert even uitzinnig als voorzichtig
dit gebroken beeld doch nooit met een meesterschap
kwijlende binnen de randen van de schalen
van een tijd aan scherven maar altijd kinderlijk
met stilte en leven volmaakt verenigd aan die ene
onzichtbare muur haast niet te verduren

de orde halsstarrig en ongezeglijk van het zwijgen
heeft hij ontbreideld een prijsgegeven
aan de zuiverende oliën der gewaagde onomkoopbaarheid

kleuren draagt hij nu aan voor mij
de dichter die zich nog hechtte aan de grijze lijm
van het stijfzinnig verdwijnen en het zijn
voldragen kleuren als vodden en toch correct
gesneden naar een natuurlijk vrij model
kleuren ook van heel breekbare papegaaien
dommelend en schommeld op twijgjes onder de maan
vogels die zo lang studeerden op een vreemd maar
eeuwig lied dat zij het nu ook dromende zo streng
zingen als geen klare zangeres strak zingen kan

en het zijn kleuren die het hollandse
verlegen licht verhevigt tot de triomfantelijke
modderglansen van de orinoco en de ganges
kleuren die vruchtbaar buiten hun oevers treden
om ijdele roem te beslapen met geoefend groen

en kleuren om het in waan gewortelde geweld
scharlaken te laten verschijnen als priesterlijk bedrog
en kleuren die het kinderhoofd vol vlakgum en onmacht
de zegevlag rieken van het bereikbaar bestaan
en kleuren die de elegante kont van de oh zo wendbare
menselijkheid bestookt met brandende okers
gewassen in een zandzee dorstend naar limiet…

II

hij verliet de doodzieke stad
het rottende het vervettende net
en omarmde de moeder van het ademhalen
die nog armen voedt met zingende stilte
in schuimende bomen de aubadekraan
der vogels en beneden de tumultueuze
rust van vrucht en graan

in een door deze hermetische en gevaarlijke weelde
gelouterd atelier ziet hij stoïsch
hoe met in het gelid liggende penselen
en strengen verf zich overal invreet
het alles ontledende spectrum

hij smeekte dan dat het kwispelend gebit
muil van een kaleidoscopisch monster
overmeestert álle landschap en in het zenith
van bezinning op slag gehoorzaamt
begeesterd dat ondier van licht
dat alleen de schilder bezit

 

Lucebert-Brands

Lucebert-Brands

Lucebert-Brands

Lucebert-Brands