Lucebert-Breytenbach

breyton breytenbach mag de maan zien

Lucebert

1

van ver blies het zwijn zonder gezicht
en vandaag kwam naar hier het bericht
dat je na twee jaar potdicht cachot
een dun matras kreeg en een beetje maan

dit gedicht schaamt zich gedicht te zijn
woede wil andere wapens dan woorden
ja het schaamt zich gedicht te zijn en geen schot
waarmee het – dichter – jouw beul kan vermoorden

2

onder een regen van slagen
maakten ze van je lichaam
een gekrompen regenjas
en om die ergens neer te gooien
kreeg je na vele regens een matras
oh hun methoden worden steeds mooier
ze verstrekken nu zelfs een stukje maan
als een korst brood die een slonzige moeder
keilt naar haar mager kroost
maar ze wachten nog op het mooist
dat je uit dankbaarheid schrijft een ode
op de beulen die je langzaam willen doden

3

pijn heeft geen getal
er zullen dagen zijn als jaren
en minuten die voortdraven
als een oceaan zonder horizon

sekonden lijken stapels kleine lippen


die even het mes van de maan mogen slikken
en de herinneringen zijn ontstoken brillen
als scherven vuur op de neus van de duisternis

oud zeer – dichter – je ziet het weer zweren
als zelfs pasgeboren gitaren gaan overgeven
onder ’t gekwezel van evangelisatiehandel
zwendel – dichter – heb je zo vaak doorzien

heb je geizen in een ver ver verleden
toen een bleke geest zich god verklaarde
niet met zijn onbescheiden schimmelen tevreden
noemde hij zich toen goed en de god der blanken

Lucebert-Breytenbach

Lucebert-Breytenbach

Lucebert-Breytenbach