Lucebert-Diederen

Over schilders

 
voor jef diederen

Lucebert

1

zet meester drie vlekken kleur op mijn huid
omdat ik helemaal wit ben en helemaal zwart
is kleuren een daad die er toe doet

zonder drie kleuren kan ik niet kukakau kraaien
met drie kleuren kan ik bevrijd hihaho lachen
helemaal gekleurd kan ik ‘m pas goed raken

zo zijn de hoofdbrekens van de schilders
even vanzelfsprekend als die der goden en dieren

zullen wij de aap aap laten of kleden
geven we pootjes aan oma of slaan we opa dood
zijn wij vermetel of genadeloos

daarbij staat de schilder aan grote gevaren bloot
al schilderend spot hij met de dood
hoeveel giftig cadmium verdraagt met zadelpijn de kentaur
terwijl hij de nimf beklimt in het met cremserwit beregend riet

2

soms trekt hij zich terug in de klamme nachtmist
in een stilte die er voor de gevorderde mens niet meer is
de schilder wordt dan een scheel beest een gespierde spiegel
die dwars kijkt of springt naar alles wat er is en niet is
en is als de dood waakzaam en hij wacht ladderzat
en smerig ook van het dag en nacht voorbijgangers betasten

het oog is wetenschappelijk een weerzinwekkend apparaat

maar oh niet deze tonen niet dit kleurloze lied
hij die uit de verf van het leven is gekomen
hem zien zelfs grijpgrage lachspiegels niet
diafaan wiegt hij tussen riffen van verdriet
warm van het patina die de poliep der liefde achterliet

3

toen de schilder met al zijn vingers
schilderde de schilderende schilder
vielen hem de rode schellen uit de open mond

de schilder heeft het schild beschilderd
hij heeft ook het uithangbord geschilderd
het hoofd is van goud of valt door de mand

de schilder borstelde de schilfers
van onweer over de ogen en de fijnschilder
penseelde met één haar het ei van een olifant

hoe kleurig is de nieuwe wereld en de oude flets
en schilderde een vuistslag als een kus

geen licht troost de stad van beton
en schilderde op kokende wonden de zon

het zoeklicht van de liefde is zoek
en schilderde alsnog de tien vingers van één hand

nergens was zoveel bederf als tussen vrije vogels
en schilderde bergen die zich tussen bergen verbergen

kokers in de borst bombardeerden het oor met roet
en schilderde wat barst tussen waardigheid en waarheid

verf druipt uit de baard van de kleuters
en schilderde de creativiteit van iedereen en niemand

soesa in het oog coca-cola op de maan
en schilderde een menigte die verdacht vecht met geheimen

eén blik en de spaghetti uit het oog kleeft aan edele delen
het laatste kwetsbare naakt

jubelend keert men het gezag de rug toe
en schilderde een monster dat glimlacht als onze-lieve-heer

een ieder schetst snel eigen verbazing eigen nijd en spijt
de uitgeknepen tube mummie die mummelt kronkelt terzijde

zo maakt men een schilderij

4

het atelier staat wijd open
maar eerst worden van het licht de tere benen
gebroken voordat de bezoeker zo kan staan
als de schilder zijn bezoeker droomt

maar al te vaak is de bezoeker daar
een haan met haar en te veel
zitvlees en stemverheffing
geen schilerij kan hem aan

soms komt omzichtig als op kousevoeten
een kunstkenner en met pedant onverstand
penseelt hij hier wat weg daar wat over
omdat die kompositie die kleur niet precies past
bij zijn kiekeboe-museumcarrière of bij zijn
kiekeboe-eega of bij zijn kiekeboe-bureau

zulke gasten waren toch gewaarschuwd
op elk palet blijft het eeuwig een smeerboel
bloedjes beulen zelfs de koddebeier van ’t heelal
allen roeren in de verf met verve en fervent

maar la belle peinture oh la la da’s het móóie schilderen
dat is uit de knieën van geknielden tranen melken
voor wie zich schaamt voor het bloeden niet te stuiten

5

vuur op water
er is geen andere bron
houd de bron schoon voor later

het aureool der schoonheid raakt
vertroebeld door verzwegen schade
in de smoorkuil van het onbewaakte

schud de kleuren van het radeloze
schuil als worm onder de reptielen
maar adelaar is het oog
dat alles overschaduwt

Lucebert-Diederen

Lucebert-Diederen

Lucebert-Diederen