Lucebert-Sierhuis

sierhuis


Lucebert

onder zijn door vele geliefde beelden
belaagd en belegerd oog
geen paleizen maar de kist die hij
voor een krats huurde om te wonen

om een klein mens een grote lijst
en nog een koopje ook uit de congo of columbia

maar eerst nog geboren om met een karige
dageraad die niet dag maar krach zegt
in de boluswolken van de boldootauto te baden
want er waren welriekende en stinkende huizen
en grachten als melaatsen naast grachten
schoon als de gootsteen van de chirurg

en toen hij zijn ogen opsloeg
werden het eerst oren
want het was de tijd der doven en verdoofden
maar hij hij weigerde te verslijten
zijn demonen voor demoren
die men niet behoeft te ondervragen
dag en nacht ze ondervragen dat deed hij
en terwijl het puntige linnen regelmatig
aan de bles laat likken doet hij dit nóg

de demon ‘mantegna’ spreekt:

’sla geen acht op mijn met lieflijke ranken
verpakte kamer der echtelieden
maar laat het oog dwalen over deze koudgebraden rotsen
als schouderbladen en plakken kil zult
van lijken die eens engelen waren vol liefde en geduld
aanzie de man als schietschijf en vooral ook
zie hem die schoot – een lachende biefstuk -
goed tot voedzaamheid geslagen en met de oogopslag
van de duitendief die overstelpend feestelijk wordt onthaald
en daal dan met mij af naar het lijkenhuis en zie de mens
kijk goed en nogmaals – men deed dat al van zijn geboorte af
eerst belaadde men hem met schuld en angst
zodat hij wel buiten moest en daarna werd hij kleingekookt
in het grote gerecht dat elke dwingeland zijn tijd opdient
want zelfs uren – voor gewone stefelingen zicht reppend -
zitten slaafs en bedachtzaam aan de tafels
der wereldheersers die naar het schijnt van de eeuwigheid
nu al mogen snoepen’

hij luisterde goed naar deze geest
en tekende groots naar diens christus in brera
enige kapot geslagen sloebers als mijnwerkersalleen zeer verkort en zwart

de demon ‘picasso’ spreekt:

’in verven vertaal precies liefde en verlies
met langs en degen teken hoop en vrees
oh ik weet er liggen
bergen drek bij de programmeur van bronnen
maar als alle werkers jij kwetsbare dwerg ontwerp
een spontaan vergrootglas op het nog nietige rijk der vrijheid
en schilder het bed van het oog
pas verschoond en lekker opgemaakt voor het venster
dat de spons is voor een verre zwarte ster
die komt te staren naar een tafel
waarop een hand als een hond rondspringt
tentatief voor de steeds brandende muis
’het explosieve spel’… in het hoofd van de denker
deze schalk hij zal dan zijn schedel geheel ontbloten
voor de ‘lyrische schoorsteenveger’…
om zich van eigenwijsheid te laten reinigen
schilder ook de kinderen die voor de beren
honing smeren bij de buren voer heel de zure
gezichten van de smalkontige bungalows
die al hun kouwe opschik nauwelijks omarmen
maar voor alles schilder de vrouw
probeert dit hoe moeilijk het ook blijft
zij immers is de archeoloog van je verscholen uur’

en hij gaf gehoor
zijn dulcinea werd ‘venus van friesland’
die met haar warm lichaam haast helemaal toedekt
een huis gelegen in aartswoud

Lucebert-Sierhuis

Lucebert-Sierhuis