Meekers-Rembrandt

Het Joodse bruidje

Mark Meekers

hij schildert met de vingers van een brand-
stichter: een man uit edel metaal, een vrouw
van vuur. zij luisterden lang naar elkaar
als naar een bron, ruilden reeds hun ogen.

hij legt een arm rond haar. Hun gouden
eeuw vangt aan. Verjaagd de schaduwen
die naar het leven stond om dichter dan
nabij, bijna nader dan naadloos te zijn.

zij leidt zijn gebaar om de tuin van eden
naar haar boezem af: twee handen eensgezind.
lust verbloemd tot verlangen. Hoelang duurt
hun eeuwigheid, zijn heupen een bruidskist?

hoe rood, grasrood moet een jurk zijn om
nooit te doven? Achter hun rug woelen
de aardkleuren, neemt een struik de benen.
dood en liefde zitten op elkaars schoot.

zie ook: 
Rembrandt - Aafjes,
Rembrandt - Baeke, Rembrandt - Balkt, Rembrandt - Barnas, Rembrandt - Bernlef, Rembrandt - Boeken, Rembrandt - Brabander, Rembrandt - Brassinga, Rembrandt - Bruinja, Rembrandt - Claus,
Rembrandt - Decker, Rembrandt - Emmens, Rembrandt - Enquist, Rembrandt - Gerhardt, Rembrandt - Gerlach, Rembrandt - Harmens, Rembrandt - Herzberg, Rembrandt - Hofman, Rembrandt - Kemp, Rembrandt - Knibbe, Rembrandt - Kopland, Rembrandt - Meekers,Rembrandt - Menkveld, Rembrandt - Moeyaert, Rembrandt - Schiferli,Rembrandt - Schulte-Nordholt, Rembrandt - Soepboer, Rembrandt - Spinoy, Rembrandt - Tentije,
Rembrandt - Vestdijk, Rembrandt - Vestdijk02,
Rembrandt - Vestdijk03 Rembrandt - Wissen.

Gedichtencyclus Rembrandt en de Engelen