Nasr-Vermeer

Wat ons rest

Ramsey Nasr (
Dichter des Vaderlands 2009)

Ter inleiding:


Het lag in mijn bedoeling als Dichter des Vaderlands een gedicht te schrijven over Vermeer.


Ik had alleen niet gedacht dat het meteen mijn eerste gedicht in functie zou zijn.


Niet lang na mijn aanstelling had ik van het Rijksmuseum een verzoek ontvangen


om een gedicht te schrijven in verband met een nieuwe tentoonstelling over Vermeer. De


tentoonstelling was gewijd aan één schilderij: ‘De dame met de weegschaal’. Dit doek werd


bij wijze van hoge uitzondering door The National Gallery of Art in Washington uitgeleend


aan het Rijksmuseum. Men stuurde me bij het verzoek een afbeelding mee van het werk. De


lege weegschaal; het goud en de parels op de tafel; de mysterieuze dame die aan Maria


deed denken; en ook de afbeelding van een Laatste Oordeel vlak achter de dame; alles deed


me denken aan de recessie die dag na dag de voorpagina’s van de kranten beheerste -


vooral toen ik daarna ook zijn andere schilderijen nog eens van dichtbij bekeek.


Op 11 maart 2009 werd met de voordracht van ‘Wat ons rest’ de Vermeertentoonstelling


geopend. Een dag eerder was het gedicht verschenen in NRC Handelsblad.

Wat ons rest
Stel, er is een kamer. De kamer telt een vast aantal onderdelen
Er is een raam op links. Er is licht dat erdoor valt. Een collier van parels
en een geel satijnen jakje met hermelijnen kraag. Steevast ook een tafel


om de onderdelen te tonen: kijk een brood, kijk een mandje.


Dit zijn de organen.

Op de achtergrond van de kamer prijkt een schilderij of landkaart.


Of tenminste een spijker. Dan is het doek even weg, staat het achter de kijker.


Schilderij, raam, spiegel en landkaart vormen de begrenzing


een tweede huid om in te wonen. Wonderlijk membraan dat ademt


tussen binnen en buiten.

Enkel de bezoekers veranderen. Zij verplaatsen nu en dan de organen


staan stil in hun gesloten systeem van verf en marterharen


openen het raam, spelen luit of gitaar, lezen brieven, schenken melk


of staan bijna levendbarend in de Hollandse kamer.


Zoals deze dame.

Met haar buik voor zich uit als een gloeiende sikkel


lijkt ze lucht te wegen. En ze gaat zwanger. Maar van wat?


Bovendien, de vrouw weegt niet: ze wacht. Als een halve Maria


staat ze stil in haar blauwwitte buidel van de nacht. Niet te naderen


hart met twee schalen.

Men ziet veel in haar dat er niet is. Vroeger zei men: ‘Type Vanitas.


De vrouw mediteert op het eeuwige leven.’ Ze kreeg namen als


Weegster van Goud. Of van Parels. Haar buik leek een huiskamer vol.


Het was de glans die ons misleid heeft als aureolen, eeuwenlang.


Want de schalen zijn leeg.

En wie verwijzingen zoekt, diepzeekijken wil of juist hogere


waarden wil koesteren, moet dat vooral doen, maar dit is genoeg.


Dit volstaat voor mij, als een heidens geloof in het tastbare.


Het hogere huist in de kamer. Een raam is een broodkorst is een tafel.


Vermeer was de grote gelijkmaker.

Toen de schilder stierf, bleken de organen intact nagelaten:


het glas, de schilderijen, de landkaart en ook het gele jakje


dat nu eens door de ene, dan door de andere vrouw was gedragen


ze lagen nog altijd in de kamer, die niet leger leek dan anders.


Alleen de beheerder was verdwenen.

Geen schets of tekening bleef van hem over, vrijwel niets


is ons vandaag bekend, geen dagboekfragment of toevallige brief


behalve de brieven op zijn schilderijen, die sindsdien zijn verspreid


over Den Haag, Amsterdam, Berlijn, Parijs, New York en Washington DC.


De kamer heeft zich voortgeplant.

2.
Er bestaat ook een andere kamer. Deze kamer is nauwelijks verlicht.


Niets op tafel. Het is er stil en verlaten. Een klein rond raam


werd in de muur uitgespaard. Door dit gaatje piepte de wereld


naar binnen, verspreidde een hemelsblauwe kleur tegen de wand.


Dit was de bestuurskamer.

Vanuit dit vertrek werden jarenlang als losse parels leningen verstrekt.


Al wie een spiegel kon bewasemen ja zonder hulp een krabbel zetten kon


kreeg knikkers toegerold, terwijl intussen werd gepoogd de parel


te behouden, of tenminste de glans achter te houden en deze apart


nogmaals te verpatsen,

dóór te sluizen naar een nieuwe ruimte, om er dan het gewicht


van de glans los te beitelen en dit moedwillig als heilige


kredietwaardigheid op andermans tafel neer te leggen, telkens weer


andermans hoopvolle tafel - risico moet rollen, weg, snel weg


uit deze kamer, verder nog

van vertrek tot vertrek, tot in een laatste gitzwarte uithoek


ook de schaduw van het gewicht van de glans der voormalige parel


verwijderd was, en de mikmak zo vaak herverpakt dat de muren


uit zichzelf gingen schuiven en tunnels vormden, als zenuwbanen


in een systeem zonder uitgang.

En het systeem


zag dat het goed was
                                    kop noch staart was het


                                    kernloos en zonder maat

lichter dan ether was het


beter dan volmaakt.

Louter naar zichzelf verwijzend
was het almaar menigvuldiger geraakt. Het verspreidde zichzelf


in wijde extase als een hemelsblauw licht over de wateren, van New York


tot Parijs en Berlijn en Den Haag, Amsterdam – net zolang


tot niemand nog een spiegel van een raam kon onderscheiden.


Technisch gezien ging het

helemaal toppie. Wie eenmaal de moraal buiten beschouwing laat


kan zelfs in kanker een galante vorm van voortplanting zien


van pure winst in feite. Wij werden overwoekerd met voorspoed.


De sfeer sloeg pas om toen iemand naar het collier van parels vroeg.


De parels… tja. Waar waren die.

Als fonkelconfetti lagen ze verpulverd en uitgezaaid, ergens dáár


aan de randen van onze economie, mevrouwtje. Maar waar precies,


dat is de vraag. En de vrouw vroeg nogmaals om haar parels. In haar hand


twee schalen. Als een schemerbonk begon buiten de zon te dalen.


Badend in haar loodgele gloed

had de dame in Washington aldoor staan wachten. Nu keek ze toe


hoe de schalen eindelijk tot stilstand kwamen, hoe ter plekke


in een plots evenwicht tussen lucht en moedwillige lulkoek


heel dit systeem als een klaplong ineenstortte - kamer op kamer op kamer.


3.


Ik heb een voorstel.


Het wordt tijd onze zegeningen te tellen. Melk. Oorbel.


Baksteen van Delft. Wij zijn de eigenaars van licht. Als goede


beheerders zullen wij ons opnieuw met verf moeten voederen.

Moeilijk is dat niet.


Je neemt een schokvrije kist naar Amerika en vraagt daar:


‘Het oranje gordijn, dat licht van links en die paar oude schalen


mogen wij die lenen? Over twee maanden brengen we alles terug.’

Maar dat doen we niet.


Dit doek blijft hier. Laat ons op deze manier alle kamers


ontmantelen en terughalen. We schuiven de boel weer in elkaar


gaan zitten in die ene kamer. Tellen wij rustig wat ons rest.

Dit is wat rest:


één spiegel. Twee handen. Zwart-witte vloer, gouden randen


gloeiende sikkel en ultramarijn. De sintels van een catastrofe


zijn tastbaar als een brood of glas. Eetbaar als een tafel.

Dit tenminste – dit is echt.


Laat de zwangere vrouw hier blijven, in dit gebouw. Niet uit hebzucht


maar uit lijfsbehoud. We gaven ze de glans van een parel als pand.


Dat moet volstaan. Laat ieder zijn eigen deel ontvangen.

Wij werden consequent belazerd


uitgewoond tot op het bot huisden we in dozen van optisch bedrog


maar die verf is van ons. Vandaag zullen wij leren kijken. Laat ons


verminderen in deze kamer, en wennen aan de magere jaren.

Laat ons met de allerlaatste


bonussen die wij nog hebben, die we uit de schaamteloze kieren


van onze ziel kunnen schrapen, onze doeken terughalen en zeggen:


dat is dus een brood. Dit is glas-in-lood. Zo voelt de schittering van water.

Het is nog niet te laat.


Kijk door het venster van buiten naar binnen. Kijk dan: er staat


wat er staat. En ja, dat is weinig. Maar ook wij zullen rijk zijn.


Wij zullen leren de trotse bezitters van lege schalen te zijn

zie ook KunstKolom over Vermeer.

Nasr-Vermeer Nasr-Vermeer
Nasr-Vermeer Nasr-Vermeer