Ostaijen-Ensor


James Ensor

Paul van Ostaijen

Tentaculaire stad! Het overaardse. Geheim en wezen samen.
Waarom kunnen wij niet aan de roep van deze stad weerstaan?
Waarom willen wij niet?

Als vreemde kluizenaars, - het hart vol verzoeking,
geest die bezocht wordt door de pijn-zijden lijven van koninginnen,
wrange smaad der hees verlangde vlees-beloningen
om ’t Godsverraad, -dwalen wij rond in de stad.

Witte wegen naar het wijde wezen van het Zijn.
Godstad die ons leidt tot zonde en berouw.
Zonde is onze geest enkel bevonden, om het ongeschonden leven
van het berouwen.

Waarom schouwen in dit berouw
uw maskers dieper dan het diepe masker van de dood?
O meer dan een stil vermoeden valt uit de kou
van hun oogholten.
O begeren in de mateloze doodschrik,
maskers die wegvallen. Aangrijpende angst van het Ik,
maar groter het verlangen.

Over de baren gaat Kristus.
Bang zijn de verslagen maskers der mensen.
Ontzet weer. Alle gaan,
maar geen van alle weer waarheen.

Als kinderen ter kruistocht
wier stappen machteloos vervallen in het woud,
zijn wij die stem volgen, de aarzelende of de rotsvaste.


Dauw valt soms van de takken
als lafenis op de ogen.
Maar de dageraadstranen verdrogen
op ons hete oogleden, branden van verlangen.

Weten: stad in de ongrijpbare verte opgebouwd,
opdat wij al de wegen zouden kunnen gaan: u te vinden.
U te vinden! Maar dit: het wanhopig zoeken!
Ahasver te zijn! Nooit rustende geest.
Elke rustplaats is leugen.
Zelfs over de baren gaat zoekend Kristus
en zijn handen vallen in de witte mist.

Ostaijen-Ensor

zie ook:
Claus-Ensor en Istendael-Ensor