Ostaijen-Gogh

Vincent van Gogh

Paul van Ostaijen

1

Profeet van Paturâges en zuiderzonminnaar,


Maar meer dan dit: diepbewogen dichter
die de zware dingen van buiten licht schiep,
herschiep als de kompleet blauwe lucht, -
herder die het onvruchtbare gebeuren
van buiten, naar het grote centrum dreef, de oasis, de keure
van frisheid … In ons zelve hebben wij de Jordaan;
allen die nog Godvreemd en belâan
met de erfzonde zijn, -
de dubbele machteloosheid van het naar buiten kijken
en de loutering, dit is de permanente zege in ons:
patos en tragiek,
dit het innerlike, daarom het heilige ‘veni, vidi, vici’, -
al die machteloze vreemdelingen van buiten,
al de gebeurtenissen
zullen wij tot godskinderen verfrissen
door het heiligmakende water van onze Jordaan.
Kunst is de alles overstelpende liefde
en de alomvattende
Als de zoon van Tobias die ter genezing van zijn vader
uittoog naar een ver land, en daar de vis
haalde met de kieuwen uit het water:
de ogen van zijn vader het licht schonk.
Kunst is de liefde in elke daad,
Kwintessens. En het volledig liefde zijn,
En dit is liefde als Vincent deed:
de talenten die hij kreeg, tot de waanzin, tot het leed
dat vreugde wordt, levend maken.

Niet het te zijn of niet te zijn is de levensopgaaf,
maar het misterie van het zijn vult alles.
Het eigen zijn. Dat over alles te leggen.
Wordt eigen zijn van de omgeving.
Alles te vervormen, te martelen, te doden
tot schoonheid,
Je zelf dood rekenen voor de wet, om de wet van je zelf te verbreden.
Abstraksie van je zelf, want deze kosmiese liefde vult gans je zelf:
Bron van den aardbal.
Vincent. Zo is hij,
Hij is niets en hij is alles.
Als de priester: meester en dienaar.
En de wijn die eenvoudig perelt in de kelk
is plots onder de adem van liefde, bloed geworden.
Levende drank.


2

Meer dan uw werk. Dit is het grote,
het oneindige. Het venster
op de ganse wereld.
Ook alles wat in de verte schijnt
strekt zich daarbinnen deinend uit.
Een venster is alles.
De ganse wereld ligt binnen éen venster.
Men zal dan van uw werk houden,
wanneer het beurtelings met de geslachten
bloem, steen of eik zal geweest zijn.

Heel jong, - nauweliks had ik je herkend, - heb ik gevraagd:
‘Vader, die kiezel is zo schoon,
hoor je zijn schoonheid onder de trage tred van mijn laarzen?
Maar zie deze ronde schijf in de zon.’

Door wouden gaan. Pijnboomnaalden vallen
als vingers van de bomen.
Vingers zijn verlangen van lange, lome
lust. In de boomgaard hangen kersen,
aan lange, stramme takken,
vruchten die zich saampersen
als kinderlippen. Niet tastbare gloed
waarin zij bloeden als een zinnelike boetedoening.

‘Maar alle schoonheid, mijn zoon, is in de brand
van je ogen. Ogen zijn steeds blauw als de zeestrandrand’


3

Leed als de golven van de oceaan
die baren witte blaân
van bloesems. Leed als van blaren aan
de bomen. Bomen die kruinen worden,
kruinen: der bergen wit gehelmde horden.

Het arme leed wanneer het wordt ontzaggelik
in het dragen aller leed,
wordt scheppend leven weer.
Wie al de noodbaren in zich stort,
tot een fontein van helder water wordt hij weer.
Wie leed als landen torst
draagt in zijn flank de vruchtbaarheid
van honderdduizend zielen.

Ostaijen-Gogh

Ostaijen-Gogh

Ostaijen-Gogh
Ostaijen-Gogh

Ostaijen-Gogh

Ostaijen-Gogh
Ostaijen-Gogh

Ostaijen-Gogh

Ostaijen-Gogh
Ostaijen-Gogh

Ostaijen-Gogh

Ostaijen-Gogh