Perron-Pourbus

Adriana de Buuck



E. du Perron

Een zestiend’eeuwse vrouwe van geen twintig jaar.
Het voorhoofd, smal maar jong en effen, is omgeven
door het devotelijk teruggekamde, en even
door een fijngazen muts gedekte, bruine haar.

Roerloos staat de figuur, geheel in zwart, en waar,
uitglippend onder bont, de mouwen ietswat leven,
door hun warm karmozijn, aan ’t doodse kleed gaan geven,
liggen de handen stroef en bijna kleurloos op elkaar.

En kalm, tè kalm kijkt deze jonge vrouw. Men raadt
een vuur, dat ook die weke, rode mond verraadt,
dat in die strarende ogen is teruggedrongen.

Een ondervoed gevoel, door een verbeest gemaal,
door kerkdienst, sloom gebaar en ingetogen taal,
de Moedermaagd nooit waardig, als door staal bedwongen.

Perron-Pourbus

Reprise (na 6 jaar)



E. du Perron

Zo schreef ik. Want wat wist ik van uw zonden?
Ik, op mijn tenen onder uw portret.
Een kind kon niet uw hoog gemoed doorgronden:
gij leekt mij schoon als een beheerst gebed.

Ik zag niet dat uw mond zovele monden
gelaaft had, dat gij steeds weer hadt gered
de door uw schoonheid reddeloos gewonden,
gevend uzelve, schroeiend, onbesmet.

Enige gave in dit armzalig leven,
van god of duivel die ons ’t leven gaf,
o gif-en-tegengif, vóór ’t feilloos graf!

En wat daar in uw ogen stond geschreven
was koele haat en minachting voor straf,
en bittre spijt niet méér te kunnen geven.

Perron-Pourbus

Pieter Pourbus
Gouda (?) 1523-24 – 1584 Brugge
Portret van Jacquemijne Buuck
Olieverf op paneel 97,5 x 71,2 cm 1551

In 1861 werd de vrouw op het schilderij via het wapenschild geïdentificeerd als Adriana Buuck. In 1969 werd echter aangetoond dat het wapenschild verwijst naar het pendantportret in ht Groeningemuseum met Jan van Eyewerve, de echtgenoot van Jacquemijne Buuck.

Pieter Pourbus
Gouda (?) 1523-24 – 1584 Brugge
Pourbus werkte vanaf omstreeks 1543 in Brugge, waar hij een succesvol schilder werd van portretten en religieuze en allegorische taferelen. Zijn schilderijen zijn innemend maar soms wat stijf en onbeholpen. Pourbus was ook werkzaam als cartograaf en tekende kaarten van gebieden in Vlaanderen.

In 1969 ontdekte men aan de hand van het wapen op het bijbehorende mansportret, dat dit een portret is van Jacquemijne, en niet van Andriana Buuck, zoals men altijd had aangenomen.
Jacquemijne trouwde in 1551, negentien jaar oud, met Jan van Eyewerve, een Brugse koopman, wiens portret eveneens in het Groeningenmuseum in Brugge hangt. Waarschijnlijk zijn beide portretten bedoeld als huwelijksportretten. De hond achter de vrouw zal wel als een symbool van huwelijkstrouw moeten worden opgevat. De doorkijk links biedt uitzicht op de Vlamingstraat en de Kraanplaats te Brugge; op de hoek staat het huis 'De Haene'.
Du Perron werd blijkbaar geïntrigeerd door dit portret van, toen nog, Adriana (de) Buuck. In 1922 resulteerde dat in het sonnet 'Adrienne de Buuck', dat hij drie later opnam in ´De behouden prullemand´, een bibliofiel bundeltje in een oplage van twaalf exemplaren, gepubliceerd onder het pseudoniem Duco Perkens. In een nogal gewijzigde versie – Adrienne werd Adriana; de geportretteerde bezit niet langer 'gelaten onderdanigheid' maar een 'verbeest gemaal' – nam hij het op in ´Mikrochaos´ (1932). Zes jaar ouder en kennelijk levenswijzer kwam hij in 'Reprise' nog eens op haar terug. T. van Deel maakte in zijn opstel in Staalkaart (1984) duidelijk, dat het gedicht  in nauwe relatie staat tot Du Perrons persoonlijke situatie van die jaren. Het eerste sonnet kan dan gelezen worden als een aansporing aan een beminde 'om zich te geven aan haar verliefde dichter', het tweede, zes jaar later, als een drastische herziening van het beeld dat Du Perron aanvankelijk van haar had. Van Deel komt tot de slotsom, dat Du Perrons tweeluik perfect het verschijnsel illustreert ´van diametraal tegenover elkaar staande visies op een en hetzelfde portretbeeld.´