Rembrandt en de engelen
(twaalf gedichten en een acrostichon)
Door Simon Vestdijk

Toelichting bij de gedichtencyclus.

Rembrandt En De Engelen-00-Toelichting Rembrandt En De Engelen-00-Toelichting

Tobit en de engel

Tobit schrikt van een vis.

Na een lange periode van depressies, opnames en behandelingen breekt voor Vestdijk eind 1955 een ongekend creatieve periode aan. Tussen januari 1956 en december 1958 schrijft hij acht romans en vijf muziekboeken, naast een grote hoeveelheid journalistiek werk voor Maatstaf, De Gids, Het Vaderland en Het Vrije Volk.

De eerste schrijfproef, na achtentwintig maanden zwijgen, legde de zevenenvijftig jarige Vestdijk tussen 15 december en 31 december 1955 af. Op 13 december had hij van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen de opdracht gekregen een gedicht te schrijven bij de driehonderdvijftigste geboortedag van Rembrandt. Hoewel hij al jaren niet meer als dichter actief was geweest begon hij onmiddellijk op de achterzijde van de opdracht te schrijven. De titel "Rembrandt spreekt"veranderde hij in "De onvervulbare opdracht". De eerste van tien strofen geeft het onvervulbare aan:

Sinds ‘k in de hemel ben gekomen
Heeft God mij het penseel ontnomen.
De eng’len schild’ren even goed

Als ik, het menselijk gemoed
Beelden zij met hun veren pennen
Wel scherper uit, en, laat ‘k bekennen,
Het schrijnen van mijn clair-obscur
Had in het Licht geen rust of duur
En zou vervagen in de stralen
Waarin wij allen ademhalen.

God heeft een map met alle etsen van Rembrandt en vraagt aan de schilder Jezus nog eens te schetsen. Rembrandt geeft de opdracht terug, te zeer wordt hij afgeleid door het geruis de vleugelpennen van de engelen:

Wanneer Heer Jezus moet ontstaan.
Laat mij dan weer naar Holland gaan.

Dat wordt hem toegestaan. Hij bladert door zijn oude etsen en hij beseft dat hij die niet meer kan evenaren:

Het best, ik schilder maar voor geld.
Ik ben de etser zonder waarde.
Zo in de hemel als op de aarde.

Hij gaat terug naar de hemel en ziet op het blanke vel papier in drie of vier met zorg en zwier getrokken lijnen:

’t Gelaat dat mij niet wou verschijnen.
Ik knielde, en vraag mij af; is Hij
Het werk van de eng’len of van mij?

Zoals Rembrandt in dit gedicht bladerde Vestdijk in een boek met reproducties en schreef vervolgens nog twaalf gedichten bij schilderijen als De anatomische les en Tobias en de engel. Blijkbaar heeft Vestdijk met zich zelf afgesproken niet één gedicht, maar een hele bundel naar aanleiding van het werk van Rembrandt te maken. De dertien gedichten werden in de zomer van 1956 – fraai geïllustreerd - uitgegeven door Bert Bakker onder de titel Rembrandt en de engelen.

De meeste gedichten die Vestdijk schrijft hebben betrekking op schilderijen van Rembrandt. Hoewel in de uitgave juist tekeningen en etsen zijn opgenomen met achterin vier bladzijden met zwart/wit afbeeldingen van de betreffende schilderijen. Het eerste schilderij betreft de Lezende Titus die in Wenen hangt. Hij schrijft het op 24 december, het is een van zijn mooiste gedichten. Op eerste kerstdag is Rembrandt en Saskia aan de beurt, een tamelijk schalks gedicht naar aanleiding van het schilderij uit Dresden. Hendrickje uit het Louvre, volgt op tweede kerstdag. Een paar dagen werkt Vestdijk vervolgens aan een lang biografisch gedicht over Rembrandt. De boedelbeschrijving, en aan een rederijkerachtig, zeer gecompliceerd acrostichon waarin allerlei namen en kernwoorden uit Rembrandts leven worden ondergebracht. (zie nadere toelichting bij het betreffende gedicht) Op 29 december concentreert hij zich op het Zelfportret uit 1665 dat in Keulen hangt. De volgende dag is De oprichting van het kruis uit de door hem gefrequenteerde Alte Pinakothek te Munchen aan de beurt. Op diezelfde dag – één sonnet was kennelijk niet voldoende, en de voltooiing van het Acrostichon was niet tijdrovend genoeg geweest – maakte hij een begin aan een breed en lang, in alexandrijnen geschreven gedicht over De anotomische les. Op oudejaarsdag 1955 gaat Vestdijk met dat gedicht door. Hij heeft er plezier in om het ironisch vondeliaans te laten klinken. Alle figuren op het schilderij passeren de revue, de hooggeleerde Nicolaas Tulp natuurlijk in de eerste plaats, en als ze alle beschreven zijn, vraagt Vestdijk zich af – het is intussen oudejaarsavond geworden – wie van het schilderij nu eigenlijk het middelpunt is? Niet het lijk, niet de snijdende en college gevende professor, maar:
Het is de schilder: Rembrandt
Harmenszoon van Rijn!
De kleurentoovenaar,
die meer dan Tulp kon toov’ren
Uit spier en lijkenvet,
uit doctorshoed en poov’re
Versierselen van kant,
waarin die bieden aan
Hun standseer offeren,
hun trots en eigenwaan.

En dan is het zo ver. Tijdens het schrijven van deze regels, sloeg de klok twaalf uren. Vestdijk zat boven op zijn kamer in Doorn te werken aan zijn lange gedicht, hij was aangekomen bij een cruciale kwestie, namelijk bij het antwoord op de vraag om wie het kunstwerk draait. Hij had het antwoord al gegeven: om de kunstenaar zelf, hij is het die zich uitdrukt in zijn kunst. Maar de uitwerking van dat antwoord was niet eenvoudig en daar kwam nog bij dat het intussen al niet meer 1955 was, maar 1956. Op diezelfde oudejaarsnacht, nu dus nieuwjaarsmorgen, maakte Vestdijk zijn gedicht af.

Theun de Vries, die in 1931 debuteerde met de roman Rembrandt, was blij verrast met de nieuwe bundel van Vestdijk:
"Het is een ware voldoening, Vestdijk als dichter te zien herrijzen in Rembrandt’s zo humane clair-obscur. Het is duidelijk, dat hij deze bundel, bovenal heeft geschreven in opdracht van zijn eigen hart. Rembrandt heeft hem kennelijk getemd en verzacht tot een ongewoon warm en weldadig begrip; het is, om zo te zeggen, een triomf voor de stralende menswaardigheid van Rembrandt’s kunst, dat zij het menswaardigste bij Vestdijk uit zijn schuilhoek riep. Rembrandt en de engelen behoort tot de levendigste hoogtepunten van Vestdijk’s poëzie, tevens tot de sterkste getuigenissen voor Rembrandt’s kunst, die in ons land geschreven zijn."
Mea Nijland-Verwey uitte zich in een brief op dezelfde warme wijze:
"Deze Rembrandt-verzen zijn zo open en waar, en tegelijk zo kuis en ingetogen, dat ik het gevoel heb: alleen een groot dichter kan zich op deze wijze vereenzelvigen. En ik dacht, wat sinds zijn overlijden (in 1937) maar zelden bij mij opgekomen is, bij het verschijnen van nieuwe verzen: "Als mijn vader deze had kunnen lezen, zou hij blij geweest zijn."" Je weet natuurlijk, hoe vaak hij zelf, in vers en proza, aan zijn bewondering voor Rembrandt uiting heeft gegeven. Zijn stuk over Claudius Civilis doet wel enigszins denken aan je vers over de Nachtwacht."

En zo heeft Rembrandt eind 1955 Vestdijk geholpen een nieuwe doorstart te maken in zijn omvangrijke oeuvre.

Bronnen: 

  1. Simon Vestdijk: "Rembrandt en de engelen". (oorspronkelijke uitgave uit 1956 met verantwoording bij de afbeeldingen van Victorine Bakker-Hefting)
  2. Wim Hazeu: "Vestdijk, een biografie"
  3. T. van Deel: "Wat deed Vestdijk op oudejaarsavond 1955?" (gepubliceerd in Trouw van 21 januari 1990)  
    N.B. Ton van Deel, was editeur van Vestdijk’s nalatenschap en had toegang tot kladversies, handschriften en varianten van publicaties en kreeg zo inzicht in het ontstaansproces van Vestdijk’s poëzie. E.e.a. is beschreven in:
     
  4. Jeroen Vullings: "Over poëzie en vooral Vestdijk" in Ons erfdeel, jaargang 1993, band 5.

Hier kunt u terug naar de overzichtspagina van de gedichtencyclus "Rembrandt en de Engelen"