Rembrandt En De Engelen-02-Anatomische Les Rembrandt En De Engelen-02-Anatomische Les
Studie van de aandachtig toekijkende figuur doet denken aan de leerlingen van Dr Tulp. Van het schilderij De anatomische les van Dr Tulp zijn echter geen voorstudies bekend. Er bestaat wel een voorstudie van De anatomische les van Dr. Deyman. Dit schilderij is bij een brand in 1723 zwaar beschadigd, zodat alleen de middenpartij nog over is.

De anatomische les

Simon Vestdijk

Een lijk is vriendelijk. Een deft’ge vriendenkring,
Bebaard, omkraagd, volgt reikhalzend het kort geding
Van kunstig in een linkerarm bewerkte ontbinding,
En Doctor Tulp, een chirurgijn van ondervinding,
Het mes menslievend klaar voor ied’re rotte stee,
Gildedeken, praelector anatomiae,
Vat in een fijn pincet, als kluifje op de dis,
De spier, de flexor perforatus sublimis.
Zij kunnen de anatoom tot ’t laatste woord verstaan.
Rechts staat het boek. Het lijk warmt er zijn voeten aan.

Nu zullen kind en kraai wel minder mogen vrezen
Voor kwalen zonder tal, die niet zijn te genezen.
Want wie van deze spier, de flexor alles weet
Verzacht door toverij’t ondragelijkste leed.
Drank onnodig, pleisters overbodig, koppen
Een vrome list, waardoor Natuur zich niet laat foppen.
Dit is gebrekk’ge kunst, heeft aan de geest geen deel:
Zij paaien het orgaan, maar nimmer het geheel,
Dat door de ziel omhoog’t gedrag wordt voorgeschreven,
Het goddelijk vernuft, in vreemde taal bedreven:
En ‘flexor’ is Latijn! – daar kan het lijf van leren
Bedaard en hooggeleerd de ziekte te bezweren.
En wie aan zucht of pestilentie dood wil gaan
Komt als hij ‘flexor’ hoort weer op de benen staan:
Hij roert de vingers, ai, hij buigt de linkerarm,
En is hij nog geen lijk, dan krijgt hij het weer warm.

Zo’n flexor is voorwaar de hele dag op dreef,
Zoals Vesalius hem in zijn tijd beschreef:
Een toegespitst stuk vlees, dat in een pees uitloopt
En als een krijgsros trilt; en wanneer onverhoopt
Door steek of stoot of val een kneuzing mocht ontstaan,
Dan wacht men maar een poos, en ’t zal wel overgaan.
Hoe lenig glijdt de pees, men voelt er haast niets van.
O flexor, buigzaam dier, dat ons onthutsen kan,
Zoals een sidderaal door de oceanen glijdt
En plots’ling bovenaards de onnooz’le bader bijt,
Onzichtbaar, met een vonk, zo God hem heeft geschapen:
Dan hebt ge een muilpeer beet, - een ondoorgrondlijk wapen,
Waarlijk subliem, een spier die niet met zich laat spotten
En die, eilaas, toch eens in ’t graf ligt te verrotten.

Nicolaas Tulp, met hoed getooid zeer breed van rand,
Beweegt met de eigen flexor kalm zijn linkerhand
Om de begeer’ge schaar de werking uit te leggen:
Schenk klare wijn, o Tulp, geen ander zal ’t hun zeggen.
Of houden zij zich dom? Zie Jacob Koolvelt kijken,
Toegeeflijk spottend, of het nog zal moeten blijken
Wat Tulp over die spier – de flexor – onderwijst.
Al is ook Koolvelt nog in ’t snijvak niet vergrijsd,
Hij las Vesalius, met vlijt en overleg.
Schiep God een nieuwe spier, hij sneed hem daad’lijk weg.
En, naast hem, Adriaen Slabran, een maag’re sluwe
Gezel met spitse baard, die denkt: het zal wel luwen,
Al die geleerdheid over’n uitgeplozen lid
Helpt niets, als ik aan ’t bed van rijke dames zit.
Terwijl iets meer naar rechts, over het lijk gebogen,
Jacob de Witt de kost geeft aan zijn lodderogen:
Een reeds wat zorg’lijk man, die onder ’t sterven niet
de kunst verstaat te doen of hij de dood niet ziet.
Oov’rigens zeer geleerd, gevoelvol en wat schichtig
Bij ’t pijn doen, tuk op wijn, misschien al te opzichtig
Gekleed voor deze les – zijn onderbuis is paars -
Maar thuis in ’t menselijk lijf, van de oorschelp tot de aars.
Mathijs Kalkoen vervolgens, oude, brave tobber
Met hersens van een kip, heeft wel een zware dobber
Aan wat Klaas Tulp vertelt: hij zal van al die spieren
Nog dromen in zijn slaap, als van een kudde dieren
Die, wars van eendracht, elk een and’re kant op willen
En ’t lichaam barsten doen, het is om van te gillen:
Hij gilt, men stoot hem aan, en aan de gladde huid
Van wie hem wekt voelt hij dat alles daar nog sluit.
Godlof is hij de spieren morgen weer vergeten.
Achter hem Harman Hartmanszoon, die wil veel weten!
Zijn dweepziek ogenpaar staart brandend in de leegte,
Zijn geest in hoge vlucht is ver van wat hij kreeg te
Horen van Tulp over het half mishandeld lijk.
Deed hij zijn zin, hij zocht soelaas in ’t geestenrijk
Voor zieken en gezonden; maar het zou hem spijten,
Verloor hij voeling met te boek gestelde feiten:
Daarin is hij klein, en in zijn hand de rol
Krabbelde hij dan ook met de acht namen vol,
En ‘t kan de stukgesneden man niet schelen, dat
Men hem, de hoofdpersoon, op deze lijst vergat.
Dan, staande, Frans van Loenen nog en Jacob Block,
De eerste achteraan, geen hoofdman nog van ’t gilde,
Nog jong, wat wezenloos, hij wist niet wat hij wilde,
Hij wou naar zee, zijn vader kon hem moeilijk aan,
Hij zou op een schavot als beulsknecht kunnen staan,
Zijn mond is wreed, men fluistert dat hij katten mepte,
En van een kind verkracht is ’t dat een buurvrouw repte.
Toen hakte een oom de knoop door, en hij zei: ‘Laat Frans
Bij Tulp gaan in de leer, dat is zijn een’ge kans’.
Neen, dan is Jacob Block een deeg’lijker figuur:
Oók wreed misschien, maar braaf, en vol bezielend vuur,
Een arts met zelfbedwang, een vaardig anatoom.
Zijn godsvrucht hield zijn avontuurlijkheid in toom.
Hij had een tweede stedendwinger kunnen wezen,
Een Tromp, een Ruyter koen, die alle naties vrezen.
Maar samenballende zijn hartstocht en zijn toorn
Bepaalt hij zich tot pappen, pleisters en flexoren.

Vergat ik Nicolaas, die Tulp onder de bloemen?
’s Mans intellect, vind ik, is niet om op te roemen.
Wel klaar, wel helder staan zijn donk’re ogen in ‘t
Gevuld gelaat, hij is geen buidel vol met wind,
Geen lege zak, geen grasgroen spuitertje van al
Zijn duurverworven kennis, geen betaalde kwal
Onder de weekdieren van zijn doorlucht beroep,
Maar toch, in deze uitgelezen gildegroep
Is hij niet ’t middelpunt, al grijpt hij de flexoor.
Hij is een keurig man. Hij is de professor.

Wie zou van ’t schilderij dan ’t middelpunt wel zijn?
Hij is de schilder: Rembrandt Harmenszoon van Rijn!
De kleurentovenaar, die meer dan Tulp kon toov’ren
Uit spier en lijkenvet, uit doctorshoed en poov’re
Versierselen van kant, waarin die lieden aan
Hun standseer offeren, hun trots en eigenwaan.
Wie schiep het gilde om tot flonk’rend sterrenbeeld?
Wie heeft hier wit en zwart, leven en dood verdeeld?
Wie bootste ’t lamme lijk tot een sculptuur van lichtgloed,
Waartegen ’t edelachtbaar achttal aan gewicht boet
En zweven wil in ’t zwart, in verste ether zweven?
Wie is in dit verval zo dicht bij God gebleven?
Wie ploos de flexor uit tot een bloem boven het graf?
Wie nam van Jacob Koolvelt de eigendunk weer af?
Wie schonk meer levensernst aan Adriaen Slabran?
’t Was Rembrandt Harmenszoon, de nazaat weet ervan.
Wie gaf Jacob de Witt pleizier in het genezen?
Wie deed Mathijs Kalkoen niet meer voor spieren vrezen,
Zodat, te bed gelegd aan zijner huisvrouw zijde,
Hij dromen kan van buit’lend vee in groene weiden?
En wie sust de ziel van Hartman Harmanszoon?
En wie, wie bracht tot inkeer de verloren zoon
En slaagde er in de oom van chirurgijn Van Loenen
En Hollands puik met diens beroepskeus te verzoenen?
En Jacob Block, de held, wie temde zijn tempeest,
Zodat hij voor het eerst een medemens geneest?

En zo werd Tulp, de onvermoeibare prosector,
Vers van ’t palet gevoed met ambrozijn en nectar,
Jupijn gelijk, de dondergod der faculteit,
Al dondert hij niet vaak, beducht voor haat en nijd.

Dan nog het lijk, de machteloze, de gekerfde,
Die van ’t geleerd vertoon de ware vruchten derfde
en met onaardse glimlach naar de zold’ring tuurt,
Geduldige trawant, zolang de les nog duurt.
Daarna wordt in de hemel hij wel opgenomen,
Die Rembrandt hem verschaft, een vriendlijk onderkomen.
Ook met de chirurgijns is deze man bevriend,
Hoewel hij meer de kunst dan de geneeskunst dient.

Rembrandt En De Engelen-02-Anatomische Les

Rembrandt En De Engelen-02-Anatomische Les

Rembrandt En De Engelen-02-Anatomische Les

Rembrandt En De Engelen-02-Anatomische Les

variatie01

detail

variatie02

Hier kunt u terug naar de overzichtspagina van de gedichtencyclus "Rembrandt en de Engelen"