Rembrandt En De Engelen-04-De Boedelbeschrijving

Rembrandt heeft meerdere tekeningen van zichzelf voor zijn ezel of in zijn werkruimte gemaakt. De tekening is ongeveer tien jaar voor de veiling van zijn inventaris gemaakt. 

De Boedelbeschrijving

Simon Vestdijk

De diender met de ganzeveer
Die heeft een kladboek meegenomen
Om ’t tussen vlek en veeg en smeer
Te vullen met mijn schildersdromen.
De helmen zoeken and’re krijgers,
De tabberds hoogbedaagde zwijgers
In raadskamers, waar nimmer ’t licht
In donk’re holen woest vergeelde,
Zoals ik ’t worst’len Gods verbeeldde:
Vreugde en smart in evenwicht.

Zie, als een splinter van het kruis,
Zo heilig, wordt daar opgeschreven
Een beddeplank uit ’t achterhuis,
Die losraakte, en werd verdreven
En sindsdien ’t atelier bewoonde,
Dicht bij de troon waar ik op troonde:
De armstoel voor het zelfportret.
Zo aanstonds gaat men hem verkopen,
Die plank, waar verf op was gedropen
Toen ik de Zoon had opgezet,

Die als een vuist goudgeel gebald
Uitdagend zich ten hemel beurde.
Een priester, die dit wel bevalt,
Die met het kruis sinds eeuwen leurde,
Ontbreekt onder de lompe schare
Van afslagers en handelaren.
Ik werd geëxcommuniceerd,
Was ‘k Rooms. Ze zullen mij wel krijgen,
Mij lasteren, mijn naam verzwijgen,
Die nog eeuwen wordt geëerd.

’t Is waar wat ’t mensdom mij verwijt:
In Rembrandts handpalm zijn de duiten
Een toonbeeld van beweeglijkheid.
Wie vrome wond’ren moet ontsluiten
Weet in het glinst’ren van de gelden
Een valstrik om heil’gen en helden
Te kullen dat zij sparen gaan
Steekt maar uw hand uit, kluizenaar.
Gij zult de duivel evenaren
En als een goudzuil naast hem staan!

Ik koos de gulden middenweg.
Ik kocht voor geld, om ’t uit te schild’ren,
Mijn goed, en heb ’t weer weggelegd
Om in de kisten te verwild’ren
En thans, getemd als kermisdieren,
Het feest des deurwaarders te vieren
En aan zijn hand, met pen bezwaard,
De duivelskunsten uit te halen
Waarvoor ik tóch nog moet betalen:
Hun staarten met mijn kwispelstaart.

Die kisten kwellen mij het minst
Van al: hun pronkziek openspringen
Betekent voor de ziel een winst
Aan geur en jeugdherinneringen.
Toen was ‘k gelukkig; toen omvatten
Mij vrouwenarmen, hooggeschatte
Slangen, bezworen op ’t paneel;
Toen kwam de roem aan huis rumoeren:
De grote trom is voor de hoeren
En voor de ridders van ’t penseel.

Zo werd een doopceel nooit gelicht:
Ze komen om mijn doopjurk vragen,
Mijn speen, mijn tepel, mijn gewicht,
De arm waarop ik werd gedragen.
Heeft Rembrandt zeven pond gewogen?
Schrijf op, en houd het voor zijn ogen!
Schrijf op de leeuw, schrijf op het lam.
Schrijf: rammelaar, schrijf: hellebaarden.
Een onderbroek, twee roest’ge zwaarden
En een gebroken vrouwenkam.

Een kam beweegt men heen en weer.
Verkoop hem maar, hij is te krammen.
Hij is van Hendrickje, mijnheer.
Zij heeft nog haren om te kammen.
De vrouw, die voor mij loopt te sloven,
Willen ze van haar kam beroven!
De kam wordt spits, hij wordt een dolk
In ’t hart, en tot in alle hoeken
Van ’t atelier dreunen mijn vloeken:
‘Af met de poten, klootjesvolk!’

Zij hebben het gehoord. Zij ook.
De kam ligt op zijn plaats. Twee haren,
Levend bewijs, bloem die ontlook,
Verworpen, nooit bespeelde snaren,
Na ’t opstaan in die kam gevangen,
Gewend aan zachte vrouwenwangen,
Thans traag zich wendend in de tocht,
Verbinden mij met wie haar leven
Aan ’t somber boelhuis wilde geven
En als een furie voor mij vocht.

Er valt een milde schemering
Over de plek van afscheid nemen.
Wat is de boodschap die ‘k ontving
Van al die wapens en emblemen?
Wat eenmaal is geschilderd blijve
Maar bij de knechten die ’t beschrijven.
Twee haren leerden mij verstaan
Dat nooit de man maken de kleren.
Met háár wil ik ’t verlies trotseren.
Met háár wil ik uit beed’len gaan.

Hier kunt u terug naar de overzichtspagina van de gedichtencyclus "Rembrandt en de Engelen"