Rembrandt En De Engelen-05-De Nachtwacht

Rembrandt En De Engelen-05-De Nachtwacht

Rembrandt En De Engelen-05-De Nachtwacht

Van de nachtwacht zijn geen schetsen van Rembrandt zelf bekend. De hier afgebeelde schetsen geven types weer met een gelijke houding en kleding, als wij op het schutterstuk aantreffen, vooral bij de hoofdpersonen.

De Nachtwacht

Simon Vestdijk

Het licht loopt in de krochten van het licht
Zichzelf over de hand, zich afzijds kronk’lend
Van de eigene volmaaktheid, van ’t te fonk’lend,
Te fel bevonden eigen overwicht,

Zodat het slingers uitzendt en spiralen,
Vuurtongen, hoog vermetel in het ruim
Hun plicht vervullend door hun plichtsverzuim.
Geen eer voor rekenaars aan te behalen:

Zozeer streeft ied’re straal zichzelf voorbij,
Zozeer zoeken de sterren die ontstonden
Zich door de nevelkluwens onomwonden
Een weg te banen naar de overzij

Die niet bestaat, en wanhoop is hun makker.
Onvrede tergt de slang van onder uit.
Van boven is geen sfeer die hem omsluit.
Het diep fornuis houdt alle vuren wakker.

En uit die waanzin zonder toonbaar zwerk,
Die hemelhel, daar tuimelen en razen -
Als kaf van ’t koren, stenen door de glazen,
Een losse gooi, onduid’lijk mengelwerk –

Een aantal weinig achtenswaard’ge vonken
Tot op de aarde langs de scheve maan,
Lukraak, veel zullen er tot stof vergaan,
Veroordeeld tot het donker, de and’re dronken

Van oude overmoed en nieuwe jool.
Zij zullen op de Doelen gaan spanseren!
Zij zijn de boezemvrienden van de heren.
Zij mengen diamant en dove kool.

Zij gaan nog niet naar huis, zij zullen feesten
Met wijn en jonge haantjes en gezang,
Met tromgeroffel tijdens de ommegang
Met gouden armen om de slanke leesten

Zodra de schutters eenmaal huiswaarts gaan,
Om van de Schutter, ’t sterrenbeeld, te leren
Dat wat niet kan tòch kan en kan verkeren:
De pijl vliegt, staat, breekt baan en houdt zijn baan!

‘k Wil niet beweren: morgen zijn zij nuchter.
Hoe zouden zij, met vermiljoen in ’t bloed?
Ook hebben zij nog altijd drank tegoed
Van Claes van Cruysbergen, links van het schuchter

Klein maagdelijn, dat al grootmoeder is:
Rimp’lige toets in ’t overromp’lend licht
Van haar gestalte, dat haar reeds doet zwichten
Ten chaos, weer terug, de wildernis

Weer in van steile sterren en gedrochten
Vuurwerk! – de ruimte spat opnieuw uiteen!
( Want lichtstralen zijn duivels vlug ter been:
Schutters zijn er, die Orion bezochten,

Terwijl zij zich de stormband om de kin
Bij kaarslicht schoven, achter hen hun vrouwen,
Die in een spiegeltje ’t gelaat aanschouwen
Des jongen helds, - hij kijkt er zelf ook in.)

Maar ’t meisje, puik der zoetemelkse kazen,
Dit maantje, gouden stremsel van veel licht,
Barst als een bom, en het gordijn valt dicht.
Het zou de onnooz’le rotgezel verbazen

Te weten dat in de oneindigheid,
Bij Wega, een der verste nevelvlekken,
De scherfjes van het mollig kind verwekken
Een nieuwe sterrenregen buiten tijd

En ruimte, toch de ruimte snel veroov’rend,
Terúg, dezelfde weg naar ’t Doelenplein,
Waar al de schutters nog verzameld zijn
En in-gelukkig joelen om ’t betoov’rend,

Nimmer verwacht neerdalen weer van kleur
En gloed, schamplicht en schemeringen.
Dit is de wederbrenging aller dingen:
Iets is pas goed als het twee keer gebeurt!

Nu alles weer in rust is, moet ’t de schutters
Begroten, dat geen op zichzelf meer lijkt,
Dat Kemp met ’t mombakkes van Keyser prijkt,
En helden met de neus van nijv’re grutters.

Het clair-obscur gevonnist, stank voor dank.
Hoe onbevredigd zijn zij, - piekenieren
Gunnen geen vonkje aan de klovenieren,
En de sergeants worden van schaduw krank

In ’t braaf gemoed. De erfsmet van de mensen
Is ’t duister, dat is waar; en geen begrijpt,
Dat steeds het licht in ’t duister bloeit en rijpt,
Omdat ’t dáár zijn verlossing slechts kan wensen.

De nazaat evenwel toont zich voldaan.
Op vlekken en op vormen kan men bouwen.
De mond kan spreken en de baard kan kauwen.
Het meisje draagt de dode gildehaan.

Zij thans, nog wel wat duiz’lig van het stijgen
En vallen door de oneind’ge ruimte heen,
Is innig stralend met haar geel alleen.
Geen twijfel aan haar staat kan haar bedreigen.

Wanneer de hemel valt, zijn vaandrigs blauw:
Jan Visscher staat blauwogig op zijn poten
’t Vijfbanig vaandeldoek omhoog te stoten,
Naast hem twee rondassiers van hou en trouw.

De rode sjerp van kapitein Frans Banning
Is met het edelst hartebloed bevlekt.
De luitenant houdt zijn sponton gestrekt,
Met mate, meer bij wijze van ontspanning.

Hij struikelt niet, hij buitelt niet, nooit zal
Deze goudgele knaap vergaan in de afgrond;
Zelfs als hij met één kaplaars in het graf stond,
Steekt hij zijn snor op: hoogmoed voor de val.

Die snaak wil met ’t musket het oor verdoven.
De jongen draagt de kruithoorn voor hen uit.
De hond leent de tamboer zijn basgeluid.
De lichtmis met de hoed wil ’t wel geloven.

Geloven zij het? O, zij móeten wel.
’t Is Rembrandt, die hen de ogen uit doet kijken,
Die evenwicht in ’t licht wist te bereiken,
Rustpoos der schepping na de hemelhel.

Kalm. Laat hen, and’re tijden and’re zeden,
Zich met de schilder over ’t werk verstaan:
De schaduw van de korte partizaan
Is méér waard dan de eer der gildeleden.

Weest kalm. – En toch, en toch, de oude strijd
Van licht tegen het licht wordt nooit vereffend.
Zij zouden, de eigen springlading beseffend,
De wal op vluchten in hun raad’loosheid.

Eens zullen zij de zware stormram richten
Op de eigen veste, die ’t niet goed kan gaan.
Heer Banning Cocq komt vloekend achteraan
Om met zijn jubelsjerp de bres te dichten.

Eens barst het uit, in schicht na bliksemschicht.
Eén slag, en ’t bonte schuttersfeest verwildert.
Men vat niet, dat dit ooit werd uitgeschilderd.
De haan stampt kijvend door het godd’lijk licht.

Rembrandt En De Engelen-05-De Nachtwacht

Rembrandt En De Engelen-05-De Nachtwacht

Rembrandt En De Engelen-05-De Nachtwacht

Rembrandt En De Engelen-05-De Nachtwacht

Hier kunt u terug naar de overzichtspagina van de gedichtencyclus "Rembrandt en de Engelen"