Rembrandt En De Engelen-09-Hendrickje

Detail uit een blad met soortgelijke schetsen uit 1642.

Hendrickje

Simon Vestdijk

Tussen de oude muren
Woon ik maar merw en moe.
Zij spreekt met alle buren
En sluit mijn ogen toe.

Zij geven haar de schande
Die in mijn doeken schuilt:
In ’t duister dat ‘k verbrandde
Daar is zij ingekuild.

Die achteraan komt hinken
Vol slaperig gevoel
Wil zich voor mij verminken
Als meisje zonder doel,

Altijd de wind van voren,
Al wil men haar geen kwaad.
Zij is mijn toebehoren.
Zij blijft onder de maat.

Zij heeft het wel begrepen,
Dat vlekje op haar naam,
Dat niet door te strepen
Met zeemleer over ’t raam.

In trage middaguren
Bewaakt zij het penseel.
Zij roept wat naar de buren.
Eén vrouw is hier te veel.

Zij willen dat wij trouwen.
Maar dat gaat mij slecht af:
Mijn liefde, mijn vertrouwen
Is niets zonder die straf

Van God en deze mensen
Voor wat zij niet misdeed.
Wanneer ik iets mag wensen
Is ’t dat het wit bruidskleed

Haar ongezien blijft kleden
En ’s nachts wanneer zij woelt
Tussen ons beider leden
Tot sneeuw wordt afgekoeld.

O eng’len, zondaressen
Zijt gij, verteerd tot licht.
Haar vocht’ge ogen lessen
De dorst van mijn gezicht.

Hendrickje, naam van allen,
En naam voor mij alleen.
Geen is zo diep gevallen.
Zo hoog steeg er niet één.

Ik zal haar laten ervan.
Zij zal het niet verstaan.
Wanneer ik lig te sterven
Brandt nooit haar eten aan.

Rembrandt En De Engelen-09-Hendrickje

Rembrandt En De Engelen-09-Hendrickje

Rembrandt En De Engelen-09-Hendrickje

Hendrickje Stoffels (en Venus)
uit het atelier van Rembrandt.

Hendrickje Stoffels in open deur

Hendrickje Stoffels 1650 Rembrandt En De Engelen-09-Hendrickje

Rembrandt En De Engelen-09-Hendrickje

Rembrandt En De Engelen-09-Hendrickje

Hendrickje Stoffels (Louvre)

Hendrickje Stoffels (tekening)

Hendrickje Stoffels badend

Hier kunt u terug naar de overzichtspagina van de gedichtencyclus "Rembrandt en de Engelen"