Rembrandt En De Engelen-12-Saul En David

Saul en David uit 1633. Rembrandt heeft dit onderwerp vele malen geschilderd. In de loop der jaren veranderd innerlijke gesteldheid van vooral Saul heel sterk. Op deze tekening is meer verwondering dan agressiviteit, of zoals op het door Vestdijk bezongen schilderij, ontroering te zien.

Saul en David

Simon Vestdijk

Wat wil die donk’re Joodse jongen
Daar bij de koning met zijn snarenspel?
Bij Saul zijn vrouwen meer in tel,
Slavinnen, somber en onkuis.
Daarom is zijn karakter zo verwrongen
En loopt hij met een speer in huis
Dieren te dreigen, en met boze geesten
Van God te worstelen. Zo zijn de meesten
Die zo maar op een troon gesprongen
Als jongen zijn …

Toen gaf hij het bevel:
‘Laat David komen voor mijn zielepijn.
Is hij onwillig, zeg dan voor de schijn:
Wij zullen samen ’t rijk verdelen!
Geef hem een vrouwenkleed,
Dat zal maar weinig schelen,
En laat hem babb’len als een kind.
Hij mag mij ook vervelen,
Of met mijn speerpunt spelen,
Ik ben niet wreed,
Wanneer hij maar, vóór hij begint
Zijn harpje te bespelen,
Koningsgezind
En niet verwaten als mijn harpenaren,
Eén blik mij toewerpt, hóe, mag hij zelf weten,
En weet hij ’t niet, dan mag hij het vergeten’.

Voordat de razende was uitgesproken
Was David reeds bij ’t rustbed opgedoken,
Gereed voor de gevaren,
Klaar voor ’t gebed der strakke snaren,
Gevat in het gebogen houten raam.

Maar nu – genezing zonder naam -
Valt traan na traan op de verlepte hand,
De godsgeest uitgebannen door de godsgezant.
De speer zal niets doorboren,
Zolang de vorst van ’t land
Maar deze speelgenoot mag horen,
Die daar geduldig en met medelijden,
Niet zonder spot toch, vingeren doet spreiden
En sluiten, snaren aanraakt, echo’s temt
Tot milder echo’s, en het razen overstemt
Van de rampzaal’ge, die hij tot zijn schuld’naar maakt
En die dit weet.

En hij ontwaakt,
Het rechteroog groot en bevreemd,
Terwijl de linkerhand een traan wegneemt
Van ’t linkeroog achter het bruin gordijn.
Hij wil niet meer onnozel zijn,
En hij doorziet de fijnbesnaarde knaap
Die, als de snaren klagen, in de slaap
Der jeugd niets weet, niets voelt, geen weemoed of berouw,
En toch geen kind, en in het kleren dragen
En stenen slingeren meer man dan vrouw,
Moedig, naar koningsaard …
Toch zal hij niet om and’re spelers vragen.
Dat wat hem rust schonk zal zijn rust belagen.
O vriendschap, liefde, wie niet wint moet wagen.
Het is hem wel een speerworp waard.

Rembrandt van Rijn
Leiden 1606 - 1669 Amsterdam
Saul en David ca. 1658
Olieverf op doek 130 x 164 cm

Om de melancholie van koning Saul te verdrijven, werd de jonge David regelmatig gevraagd om voor hem harp te spelen. Later, nadat Saul enkelen malen vergeefs getracht had David, uit jalouzie wegens diens succes tijdens veldslagen, met zijn speer te doden. zou David zich ontwikkelen tot een geduchte tegenstander van Saul en uiteindelijk zelf koning worden.
Tegenwoordig wordt door en aantal deskundigen aangenomen, dat dit schilderij niet door Rembrandt zelf maar door een leerling of navolger is geschilderd. Toen Vestdijk en Emmens, de laatste zelf kunsthistoricus die in 1964 zou promoveren op een proefschrift over Rembrandt, hun Saul en David gedichten schreven, was dat nog niet bekend.
Bij Vestdijk is Saul een cynische, half-krankzinnige despoot die met een speer in huis rondloopt en David iemand die zich van zijn invloed op de zieke koning bewust is. Het schilderij komt na het begin, in het gedicht pas weer aan de orde in de laatste strofe. Evenals in Samuel speelt de speer, waarmee Saul David wil doden, zodra hij zich van zijn gevoelens voor de jonge muzikant bewust wil zijn, een belangrijke rol. Vestdijk beschouwd het schilderij als een momentopname in een complex psychisch drama. Saul is er zich zojuist van bewust geworden dat David zijn geliefde rivaal is.

Rembrandt En De Engelen-12-Saul En David Rembrandt En De Engelen-12-Saul En David


Hier kunt u terug naar de overzichtspagina van de gedichtencyclus "Rembrandt en de Engelen"