Spillebeen-Klee

Ik ben het goudvisje van Klee

Willy Spillebeen



Ik ben het goudvisje van Klee
geen wezen maar een ding
met dode vissenogen
waarin herinnering
aan liefde en onvermogen
tot loutering.
Dit is mijn wereld de gestolde
vormen die ik overal
rondom mij aanstoot
met schuld en met vervreemding
tot leven schep waarin ik denk
dat ik belangrijk ben.
In deze wereld van het vlees
de vrouwelijke wrevel
van borsten dijen ingewanden
en de vagina waarin ik
verbijsterd zwem – alleen –
leef ik verliefd verlegen
met op mijn vel de schilfers wit
als van een vis die stervend is.
Fallusgelijk staan zij rond mij
dreigend de wijfjes van de dingen
de keien die het water slijpt
tot honderd vingers van
verschrikkelijke liefde.
Ik voel die vingers aan mijn lijf
en waar mijn vel van wellust schrijnt
sluit een onzichtbaar wezen
zijn wurgende spiraal
de magna mater.
Ik noem die inktvis zilveren licht
dat rijpt tot etter waar mijn vel
hoornachtig afsterft.
Het kijkt mij uit de dingen aan
benauwt mij en geneest
voor nieuwe vreugd en nieuwe vrees.

Mijn diepzee is mysterie
en dat ik leef is heel de zin
van wat ik zwemmende ervaar
en zonder zin bemin.

zie ook: Spillebeen - Brueghel
Spillebeen-Klee

Spillebeen-Klee

Spillebeen-Klee