Troch-Permeke 
Constant Permeke 'De papeter' 1919

wij waren geen jongens

David Troch

wij hadden vaders, wij waren zonen. het volstond niet
dat wij driemaal daags spek en spinazie vraten.
de hemdsmouwen moesten omhoog,

wij moesten tonen hoe hard wij de spieren in onze bovenarmen
op konden spannen. wij zweetten als zwijnen, groeven bloederige kloven
in onze handen, wroetten in het stof waarin onze voorvaderen
al jaren liggen te liggen

en kregen het vuil amper onder onze vingernagels vandaan.
wij moesten voelen met wat wij tussen de benen geboren waren, jongens,

maar hadden niet eens een eigen kamer
waar wij voorovergebogen, met opgetrokken knieën
en met de neus in andere werelden zaten.

wij ondervonden aan den lijve dat doordringende boerenstank
je harder in het gezicht kan slaan dan wat vuistdikke boeken.

Troch-Permeke Troch-Permeke
Boerenhoeve te Jabekke  De oogst 1917
Troch-Permeke Troch-Permeke Gezicht op Aartrijke Waar gebeurde verhalen 1916

David Troch heeft met zijn gedicht ' wij waren geen jongens' de Turing nationale poëzieprijs 2011 gewonnen. Het juryrapport was terecht uiterst lovend over dit 'onontkoombaar lichamelijk' gedicht.
Tot verrassing van de jury gaat het hier niet om strengcalvinistische – Hollands – determinisme van Jan Siebelink maar om de even onontkoombare elementaire emoties van Constant Permeke.
Dat is het onderzoeken waard.
De Vlaamse kunstenaar Constant Permeke (1886 – 1952) die allerlei technieken beheerst van tekenen en schilderen tot sculpturen, verkeerde in een omgeving waar sociale ellende de actualiteit bepaalde.
Het lag dan ook voor de hand dat hij deze problematiek aan de orde zou stellen. Bijvoorbeeld in 'De papeter' (1919) dat wordt gekenmerkt door een sobere opzet en rauwe stijl. (even als het gedicht van David) Links zit een trieste figuur zijn karige maal van pap, maar dat mag ook spek en spinazie zijn, te verorberen. Met naast zich een zo mogelijk nog troostelozere hond. Alles in het schilderij is gericht op de primitieve leefomstandigheden van de papeter. Permeke doet dit echter niet op een verfijnde sentimentele manier maar stemt zijn werkwijze af op zijn onderwerp. De basale kracht spat hier van het doek, als van de taal in het gedicht.

Permekes interesse voor dergelijke hevigheid hing nauw samen met zijn ervaring tijdens de Eerste Wereld Oorlog. De uitzichtloze strijd van dood en verderf onder de Europese bevolking. Het einde van de westerse beschaving leek inzicht. Zowel in onderwerp als in beeldtaal richten veel kunstenaars zich daarna op de elementaire menselijke drift. Schilderen moest een oerbeweging worden.
Als infanterist was Permeke actief bij de strijd betrokken. Gewond werd hij afgevoerd naar Engeland om daar medische behandeling te ondergaan.

Toch speelt de herkenbare realiteit maar een kleine rol als inspiratie bron. Het ging Permeke uiteindelijk om de expressieve uitwerking van de motieven in verf of andere materialen.
'Ik schilder met mijn ogen toe' melde hij eens poëtisch om aan te geven dat het hem niet om nabootsing van de werkelijkheid ging.  Permeke was gefascineerd door de elementaire gevoelens die onder de beschaving verborgen liggen en tracht daar steeds opnieuw uiting aan te geven.
Een vergelijkbare fascinatie lees ik terug in het gedicht van David. Waarschijnlijk had hij niet een schilderij van Permeke op het oog maar wel een zelfde 'levensgevoel'. Wellicht ook was heel Permeke bij het schrijven van dit gedicht niet inbeeld en 'lees ik met de ogen toe'. Dat laat ik graag aan de dichter.


Bron: 'Beeldenstorm' van Henk van Os.

 

Troch-Permeke Troch-Permeke 
 Biddende vrouw   De boer 
Troch-Permeke  Troch-Permeke 
 Kermis  Koffiedrinkers 
Troch-Permeke  Troch-Permeke 
Vespertijd De berechtiging