Verwey-Durer

Duerers Melancholia

Albert Verwey

Wat baat het? Zwaar is ’t zitten op de tree,
Zwaar ’t steunen van de vuist aan ’t hoofd. De hand
Die in de schoot rust steunt de passer niet
Noch ’t boek met toegeklamte sloten. Ziet,
Het godlijk kind Geheugen slaapt alreê,
Voorovervallend, op de staande rand
Van een onnutte molensteen, de stift
En lei krampachtig tegen ’t lijfje. En Drift,
Mijn eedle windhond, rust hoewel hij waakt.
Wat baat het, zijn ook aan de wand gehaakt
Weegschaal en uurglas, bel en cijferbord:
De veertien schikkingen van een tot zestien; - dood
Ligt het gereedschap om mij uitgestort:
Hamer, zaag, nijptang, houtschaaf en retort;
Doodstil die rollende, de ronde kloot.
En ’t halfbehouwen blok, evenwichtloos,
Leunt aan de ladder, en ik poos, ik poos,
Ik mijmer in een ongewilde rust,
Ik vleugel-zware sla mijn droefheid ga;
Want schoon de hemel straalt op zee en kust,
Luid krijst de vleermuis Melancolia.

Verwey-Durer

zie ook: Boeken-Dürer, Suchtelen-Dürer, Verwey - Brueghel