Vestdijk-Breughel-02
Pieter Brueghel 'De blinden'

Blinden

S. Vestdijk

Naar Brueghel
Voor J. Slauerhoff

Langdradig als een slakkenspoor op heggen
Breed’len zij dorpen uit, van huis tot huis,
Verheugd, als zij elkaar de giften zeggen,
Waarop zij slapen kunnen, hard en kuisch,
Verzadigd, eenzaam met hun kauwgeluiden.
Ze kennen elkander aan ’t klokgeruisch
Bij ’t drinken, of aan de beschorste huiden
Die zij aftasten zooals een houtvester
Zijn kruisen zet om ’t rooien te beduiden.

Men moet hen zien, als ze de eenige flesch ter
Hand nemen, door een waard in haast gevuld:
Wàt zal het zijn: schoon water of wijn resten?

Gewoonlijk toonen zij wel ’t woudgeduld
Zich breed te drenken aan een zomerregen,
De monden open, niemand treft de schuld,
Al vallen drupp’len ongelijk hun tegen.
Onder de boomen vredig in een wrong
Luist’ren ze naar wat in hun macht gelegen
Is, soms smakkend, wenschende met de tong;
De posten uitgezet in vingertoppen,
Naar onderling verraad altijd op sprong:
Naar ’t geld wegnemen en het broodverstoppen. -

Dit voor den regentijd. – Maar als het stof
In hoon hun oogen vult, als na het kloppen
Om water, ’t peilen tont na ton, het grof
Getwist uitbreekt om wie den vloek verdiende:
Dán neemt de zonnekoorts hen in verlof,
En hand in hand, in droomen stralend ziende
Geworden, dwalen ze van bermen neer;
Hun voet haakt – zoo de eerste, zoo de tiende -
En dorstig storten ze in ’t onzichtbaar meer.

Pieter Brueghel
(?) omstreeks 1527 – 1569 Brussel
De blinden
Tempera op doek 85 x 156 cm omstreeks, 1568

Het schilderij verbeeldt de Bijbeltekst Mattheus 15, vers 14: ‘Indien een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een put vallen.’ Brueghel maakt er een allegorie van op de menselijke dwaasheid in het algemeen.
‘Vestdijk geeft het schilder een voorgeschiedenis mee. Hij onderscheidt twee tijden: een tijd waarin het regent en waarin het dat niet doet. In de regentijd kunnen de blinden zich behelpen, al moeten ze ook ieder op zichzelf opereren in het groepsgeheel. Als er geen regen meer valt, sluiten ze zich aaneen, in een extatisch verlangen naar water en ze gaan daar gezamenlijk naar op zoek. Het resultaat van hun zoeken is geformuleerd in de slotregel: “en dorstig storten ze in ’t onzichtbaar meer”,  een vervulling van hun wensen, maar tegelijkertijd wellicht ook hun dood.’ (T.  van Deel in De Revisor, 1988/1,2)

Meer Breughel op deze site:
Brueghel - Alstein, Breughel - Anker, Brueghel - Auden, Brueghel - Berryman, Brueghel - Burnier,   Brueghel - Claus, Brueghel - Coninck, Brueghel - Emmens, Brueghel - Enquist, Brueghel - Foerster, Brueghel - Hawinkels01, Brueghel - Hawinkels02, Brueghel - Herzberg, Brueghel - Jooris, Brueghel - Kal, Brueghel - Kopland, Brueghel - Langland, Brueghel - Mare de la, Brueghel - Verwey, Brueghel - Smit, Brueghel - Spillebeen01, Brueghel - Spillebeen02, Brueghel - Spinoy, Brueghel - Szymborska, Brueghel - Velde, Brueghel - Vestdijk, Brueghel - Williams01, Brueghel - Williams02, Brueghel - Williams03, Brueghel - Williams04, Brueghel - Williams05, Brueghel - Williams06, Brueghel - Williams07, Brueghel - Williams08, Brueghel - Williams09, Brueghel - Williams10

Icarus-gedichten

KunstKolom Pieter Breughel

Breughel tekeningen.