Vestdijk-Rembrandt-02

Het Joodse bruidje

Simon Vestdijk

Geluk dat kan wel jaren duren.
De man en ’t bruidje, monter paar,
pronkvol zich schikkend naast elkaar,
Zijn eerlang in de avonduren
Elkanders liefste naaste buren
In trouw onwankelbaar.

Dit zijn verloofden, jonge lieden,
Hij wel wat ouder, toch nog jong.
Zij trouwen niet op stel en sprong.
Maar wat beloofd werd zal geschieden.
Geen ouders die het haar ontrieden,
Geen geld dat hij bedong.

Dit zijn de vreemde uitgedorsten,
Zij in het rood, hij in het groen.
Zij kunnen ’t doen, en toch niet doen:
Gewaden op hun beider kosten.
Voor ’t jawoord, ’t eerlang ingelost,
Mag men niet onderdoen.

Dit zijn in paren al hun handen,
Vier handen op het glanzend rood,
Een op haar hart, een op haar schoot,
Waar eens de pijn in haar zal branden.
Maar stil, maar stil, de huw’lijksbanden
Die duren tot de dood.

Zij draagt bij 't rood haar witte mouwen,
En in zijn handpalm klopt haar hart
Zo lang en langzaam en benard
Door een geluk dat zich wil schouwen
Als méér geluk: o kunst der vrouwen
Die alle grenzen tart.

Toch ziet zij reed'lijk helder binnen
De kring die hier getrokken wordt
En eerlang nog wordt ingekort:
De strenge kasten met het linnen,
De bedstee, smal voor het beminnen,
De muur en 't blauwe bord.

Dit zijn de aan elkaar verpanden,
Hij wat droef geestig in 't geluk:
Een storm breekt kleine boortjes stuk,
En daarom is 't dat hij omspant de
Breekbare romp met zijner handen
Beveiligende druk.

Uitheemse lieden bij 't verkleden,
Joods wel en Christelijk, ras bij ras.
Eénzijn, ontdekten zij zo pas,
Omvat voorvaderlijke zeden:
Hij bidt met háár, zij zijn gebeden,
Zoals het altijd was.

De oorhangers zijn van haar eigen.
Het oor is haast te diep doorboord.
Geklingel bij zijn liefdeswoord,
Dat naklinkt in het klinkend zwijgen.
Het hoofd wil 't liefst één kant op nijgen.
De oorbel fluistert voort.

Geen weelde in weerwil van die kleren,
Geen erfstuk en geen parelsnoer.
Het pronkjuweel, dat toer na toer
Haar linkerpols bindt, is ter ere
Van 't schilderij en 't potverteren,
De benen van de vloer.

Maar onder 't feest zijn zij de stillen,
De stillen in hun eigen land,
Verpand ook zonder onderpand,
Bezit dat niet is te verspillen.
't Is het geluk dat zij maar willen,
Vier handen in hand.

Er komt een kind in haar gevaren.
De liefde is een lief gevaar,
't leven een lange doodsstrijd, maar
Zij is de zijne, hij de hare.
't Geluk dat duurt nog jaren, jaren,
In trouw onwankelbaar.

Tot drie maal toe maakt Vestdijk duidelijk dat het bruidspaar poseert en zich voor deze gelegenheid passend heeft gekleed, om niet te zeggen verkleed. Hij noemt ze 'de vreemd uitgedosten', een paar strofen later 'Uitheemse lieden bij 't verkleden' en ten slotte wijst hij er op, dat het bruidje de armband aan haar linkerpols alleen maar om heeft,omdat ze moet poseren. Opvallend in dit verband is nog, dat de dichter nadrukkelijk vermeldt, dat de oorhangers 'van haar eigen' zijn en dat hij haar 'geen parelsnoer' laat bezitten. Dat draagt ze niettemin toch echt.

Vestdijk-Rembrandt-02

ie ook: 
Rembrandt - Aafjes,
Rembrandt - Baeke, Rembrandt - Balkt, Rembrandt - Barnas, Rembrandt - Bernlef, Rembrandt - Boeken, Rembrandt - Brabander, Rembrandt - Brassinga, Rembrandt - Bruinja, Rembrandt - Claus,
Rembrandt - Decker, Rembrandt - Emmens, Rembrandt - Enquist, Rembrandt - Gerhardt, Rembrandt - Gerlach, Rembrandt - Harmens, Rembrandt - Herzberg, Rembrandt - Hofman, Rembrandt - Kemp, Rembrandt - Knibbe, Rembrandt - Kopland, Rembrandt - Meekers,Rembrandt - Menkveld, Rembrandt - Moeyaert, Rembrandt - Schiferli,Rembrandt - Schulte-Nordholt, Rembrandt - Soepboer, Rembrandt - Spinoy, Rembrandt - Tentije,
Rembrandt - Vestdijk, Rembrandt - Vestdijk02,
Rembrandt - Vestdijk03 Rembrandt - Wissen.

Gedichtencyclus Rembrandt en de Engelen

zie ook: Kunst Kolom over Rembrandt