Vleugelhof-Bosch

Jeroen Bosch’ verloren zoon



Lou Vleugelhof

Mij hangt dit lieve leven de keel uit
als de broek uit het open zolderraam,
dat rosse geweld van herberg De Zwaan.

Om mijn grappen lachte niemand zich krom
meer en vriendschap straalde niet langer
dan eventjes pissen na een stevige dronk.

Mijn liefje ruilde mij in voor een lansknecht;
zijn ransel zat vol, zijn degen gestrekt,
ik piepte arm als een kerkrat onder haar rokken.

Ik ben op een schoen en een slof het kot
uitgejaagd, nagegromd door een valse teef,
ik ben niet meer dan een zwachtel die loslaat.

De hel in mijn lijf is geblust, geen sprankel
is er meer over, geen vonkje onder de as,
enkel de kilte van het lege nest in het hooi.

Maar het hek is nog niet van de dam;
de kooi zwiept zich dol aan de dakrand,
ik gen de vogel die fladdert naar vrijheid.

De zeug en de biggen slobberen de draf
en de zwadder, zij bezweren mijn lege plek
aan de trog met hun vraatzuchtig geknor.

Mijn smalende mond is een split van spot;
vrouwen zijn sleets als mouwen,
ze kijken me na met hoerige deernis.

Op een maannacht toen de herberg vol stilte
liep en het hooi zich bolde van het gesnurk
en schimmen buitelden over de hanebalken,

kreeg de maan het gezicht van mijn vader
met blikken vol langvervlogen verwijten,
met trekken van afscheid en welkom.

Plotseling was er de ochtend: een zweepslag,
het gehinnik van paarden, hondengeblaf,
luidkeels gelach van knechten en meiden.

Mijn oog helderziend, mijn mond vastberaden,
word ik een van mijn vaders knechten,
een man met de blik van een kenner, een dader.